dinsdag 23 december 2025

Rollator

 Afgelopen vrijdag werd ik wakker met helse pijn in mijn rechterbeen die helemaal doortrok naar mijn dikke teen. Ik werd huilend wakker en kon nog amper op mijn been staan van de scherpe pijn die door mijn been trok.
Timmy besloot al snel om met mij naar de spoed te rijden en in de auto was het draaien van een bil op de andere bil. Het is gek hoe aankomen op de spoed mij een gevoel van opluchting gaf, ik zou hier geholpen worden maar eerst moesten we in een kamertje wachten.
We zaten in de gipskamer waar er twee bedden en twee stoelen stonden. Ik moest afwisselend staan, zitten en liggen. De  pijn was met geen enkele houding te verlichten en ik was blij dat ik de spoedarts zag.
Ze vroeg mij mijn voet naar voren of naar achteren te bewegen en besloot al snel dat ik een mri nodig had. 

Kortom om 6u 's morgens kwam ik aan op de spoed, om 15u werd ik geopereerd en om 18u lag ik terug op de kamer. De hernia in mijn rug was tussen mijn wervels uit gesprongen en had mjn zenuw dubbel geplooid. Ik krijg nog rilligen als ik eraan denk hoeveel pijn het deed.

De volgende dag kwam de kinesiste mij uit bed helpen, een rollator bij de hand.
"Ah, je hebt nog steeds krachtverlies in je voet." zei ze. 
Ik keek een beetje verward naar mijn rechtervoet die niet helemaal deed wat ik in gedachte had, gewoon afrollen van hiel tot teen en voortbewegen. 
Ik keek angstig naar de kinesiste. 
"Is dit voor altijd?" 
"Waarschijnlijk niet." zei ze diplomatisch en de angst in mijn hoofd ontplofte.
Wat deze kinesiste niet wist is dat ik woorden belangrijk vind, elk woord draagt zijn eigen betekenis en ik ben gefocust op nuances. Misschien zou iemand anders bij waarschijnlijk automatisch denken dat het wel goed komt, ik niet. Waarschijnlijk voelt voor mij als er is een kans dat het niet goed komt en de scenario's van afhankelijkheid en nooit meer kunnen dansen en wandelen schoten door mijn hoofd. 
"Maar ik dans graag en wandel veel." drong ik aan. Begreep dit mens wel hoe belangrijk dat voor mij was dat ik zekerheid nodig had?
"Het zal afwachten zijn hoe het evolueert." knikte ze en ik voelde mijn hart overslaan.
De specialist bracht niet veel beter nieuws en ik voelde hoe mijn wereld ineens helemaal anders zou zijn. Geen auto rijden, niet wandelen, niet dansen.
De paniek sloeg mij lam.

Mijn tante uit Italie belde en toen ze mij hoorde huilen, huilde ze gewoon met mij mee.
"Zia, ik ga misschien nooit meer kunnen wandelen."
"Oh, Signore (Oh Heer) alsjeblieft niet. Manuela, ook hier kom je door. Ook als je kreupel bent zullen we nog van je houden. Waarom moet ik zo ver wonen? Ik kan je niet eens komen helpen."
Een Italiaanse familie is niet altijd de beste troost. Vaak krijg je nog extra drama over je heen gesmeten.
Een dag later belde mijn andere tante, een tikkeltje agressie in haar toon.
"Manuela, wat heeft de specialist gezegd?"
"Dat het afwachten is, zia." antwoorde ik huilend.
"Manuela, waarom huil je? Stop daar maar mee want dat klopt niet. Misschien heeft de dokter een fout gemaakt, dat kan, je kan haar een proces aandoen, weet je!" 
Ik slik mijn tranen in.
"Nee zia, mijn zenuw was dubbel geplooid en nu heeft het tijd nodig om te herstellen."
"Ik weet zeker dat het goed komt, Manuela. Ik zal bidden tot Padre Pio en het komt goed. Het kan toch niet dat je je ouders kwijt bent geraakt vijf jaar geleden en nu dit moet meemaken? Dat kan toch niet?"
Elk telefoontje liet mij harder huilen. Zoals ik al zei een Italiaanse familie is niet altijd de beste troost.

Ondertussen zijn we vier dagen verder en heeft de kinesist mij op het hart gedrukt dat het wel goed komt maar dat ik geduld moet hebben.
Geduld. Ik was er niet toen ze dat uitdeelden en dus probeer ik niet in de toekomst te kijken. Dag per dag. Stap voor stap, letterlijk met de rollator in de hand kom ik voorlopig doorheen het hele huis. 







zaterdag 28 januari 2023

De rommeligheid van rouw

 Vanmorgen zaten we samen in de zetel, Timmy en ik, na een week waarin ik mezelf een beetje ben kwijtgeraakt, waarin ik kopje onder ging.
Ik had het eerlijk gezegd niet verwacht, heel erg naïef dacht ik dat ik na twee jaar wel door deze maand zou zeilen zonder te grote emotionele stormen. En toch. 

"Ik begrijp het niet, hoe kan ik dit nu weer zo erg voelen?" Snik ik en als Timmy naar mij toe wil schuiven weer ik hem af.
"Neen, ik wil niet getroost worden! Ik wil gewoon kunnen huilen zonder getroost te worden!" Hij blijft zitten waar hij zit en kijkt mij aan. Hij voelt zich niet afgewezen of boos en daar ben ik hem dankbaar voor. 
"Manuela, het is normaal dat je dit voelt, het was een moeilijke tijd. Wat jullie hebben meegemaakt was niet normaal en twee jaar is nog niet zo heel erg lang. Geef het tijd."
"Ik zeg hetzelfde tegen mijn cliënten en toch zit ik hier!" Ik ben boos op mezelf en neem nog een zakdoekje uit het pakje. 
"Gaat het ooit makkelijker worden? Het gaat nooit makkelijker worden! Ik wil gewoon dat dit stopt, deze pijn. Dat het mij gewoon zo kan overvallen." Timmy zwijgt en kijkt mij aan.

In gedachten overloop ik de week en hoe ik in het begin van de week mij wel verdrietig voelde maar nog ok was, hoe ik mijn collega vertelde over mijn moeder en hoe ze zelfs tijdens de chemo haar sigaretje ging roken buiten en dat niemand haar kon tegen houden. Kleine rebel. We lachten. Ik lachte.
En hoe ik op woensdag in de auto zat en Celine Dion, My heart will go on opzette en de tranen kwamen. Ik had het niet door totdat ik ze in mijn nek voelde. Hoe stom kan je zijn!

En hoe ik 's avonds pijn voelde in mijn nek en tegen de ochtend mijn hele rechterkant stijf was en ik niet meer kon bewegen. Elke beweging pijn deed en ik twee dagen op de zetel gelegen heb. 
Hoe ik een hele serie op Disney + heb uitgekeken en toen het eindigde ik alleen maar kon huilen omdat ik de personages zou missen en ze een grote leegte achterlieten. Hoe de pijn mij zo frustreerde dat ik eerder huilde van boosheid dan verdriet en ik at een heel pak chocolade rijstwafels op terwijl een vriendin aan de telefoon luisterde. 
Hoe de kinderen mij 100x per dag vroegen of ik ok was en onderling ruzieden alsof mijn bevriezing ook hen in verwarring bracht. Mijn rouw beïnvloed hen ook en daar voel ik mij soms schuldig om, zoals afgelopen week.

"Ik zie de beelden van die laatste week steeds weer opnieuw voor mijn ogen dansen." Zeg ik. Het maakt mij moe, put mij uit. Timmy knikt. 
We drinken onze koffie verder uit en ik voel mij al een beetje lichter en als ik onder de douche sta laat ik de warmte van het water mij troosten, ontdooien. Ik leun met mijn hoofd tegen de koude wand en huil.

Ik huil om mijn vader die mijn geruststelling nodig had toen hij dacht dat hij alleen was.
Ik huil om mijn schoonzus die over het hek klom omdat mijn moeder niet meer uit de zetel kon en de achterdeur gelukkig open was.
Ik huil om mijn broers die samen met mij zo eenzaam leken in de gang van het ziekenhuis toen we naar de parking liepen met een vuilniszak met mijn vader zijn kleren en bril in.
Ik huil om mijn moeder haar pijn toen ze hoorde dat mijn vader voor haar was gegaan.
Ik huil om mijn broer die langs mijn moeder op een stoel zat tijdens het waken om uiteindelijk in slaap te vallen met zijn hoofd op de tafel.
Ik huil om mijn jongste broer die stilletjes bij mijn moeder zat aan de ander kant.
Ik huil om mijn moeder haar beste vriendin die tegen alle regels in naar ons huis reed en haar eigen verdriet aan de kant zette om ons bij te staan. 
Ik huil om mijn tante en oom die hun zus en schoonbroer niet konden begeleiden op hun laatste reis omdat ze zelf in quarantaine zaten. 
Ik huil om iedereen die hen nog wou begroeten op de begrafenis maar ik niet mocht uitnodigen.
En tenslotte huil ik om mezelf om het meisje dat ik was, om de tiener die samen met haar moeder melige liedjes van Celine Dion zong in de auto. Luidkeels. 
Ik huil en huil totdat ik leeg ben en nadat ik mij heb afgedroogd en omgekleed voelt mijn schouder minder stijf, minder pijnlijk.

Het is zaterdag, de week is bijna om.







zaterdag 13 november 2021

Wandeltijd

 

Ik wandel door het bos, de geluiden van de vogels en andere diertjes maken mij eerst rustig maar dan komen de gedachten, wat als er iemand is? Wat als ik een wolf tegenkom? Ik hoor mijn moeders stem in mijn hoofd, wat doe je alleen in een bos? Zijt voorzichtig!
Deze gedachten versnellen mijn ademhaling en hartslag, ik wandel wat sneller, kijk achter mij, voel mij bespied en ik hou de stok in mijn hand steviger vast. Ik weet niet goed wat ik met deze stok zou kunnen doen behalve een stevige tik uitdelen maar ik hou het ding toch maar in mijn hand.
“Je bent een lafaard!” zegt een klein stemmetje in mijn hoofd. Ik ken dat stemmetje, het is de zwerfster in mij, ze wandelt graag door het bos of een stad zonder dadelijk een doel te hebben. Ze verliest zich graag in dagen dat er geen plannen zijn en de dag zich kan ontvouwen zoals ze wil.
“Bij de volgende afslag ga ik naar rechts.” Zeg ik tegen het stemmetje. De bewoonde wereld weer in. De zwerfster zucht en draait met haar ogen naar mij. Ik weet het, ik laat haar niet genoeg uit, geef haar niet genoeg tijd.
Ik wandel terug naar de straat en zit ermee dat ik zo bang ben alleen in het bos, het bos is toch ook van mij? Waarom voel ik mij niet veilig omringd door bomen? Waarom ben ik nog steeds geconditioneerd door oude ideeën en geef ik deze ideeën ook door aan mijn dochter? En als ik ze niet doorgeef hoe kan ze dan veilig zijn in deze grote wereld? En hoe komt het dat ik ze niet doorgeef aan mijn zoon? In gedachten verzonken loop ik voorbij een vrouw die er stevig de pas in zet.
Zonder nadenken draai ik mij om en loop haar achterna.
“Excuseer, mag ik je wat vragen?” Ze blijft verbaasd staan en trekt haar oortjes uit.
“Ja, hoor.” Zegt ze niet onvriendelijk.
“Ik denk dat ik je al eens gezien heb en ik vraag mij af of je veel wandelt…en of je ook door het bos wandelt…” Ik voel mij een beetje verlegen door mijn impulsieve actie maar de vraag is al gesteld en ik ben echt benieuwd naar haar antwoord.
“Ja, hoor. Ik wandel elke dag 6u ongeveer 43km.” De zwerfster in mij richt haar hoofd op, hier is iemand die echt zwerft, echt haar dagen neemt zoals ze komen.
Ik vraag haar of ze ook bang is in het bos en of zij dit ook voelt of het iets typisch voor vrouwen is.
“Dat is zo in het begin, daarna wen je eraan. Meestal kom ik niemand tegen en ik denk dat als ik iemand mocht tegenkomen dan zie ik dat dan wel weer. Gewoon doorlopen en geen oogcontact maken. Heb je zin om mee te wandelen?” Ik wil wel, heel graag zelfs maar ik wil niet dat ze haar dag voor mij aanpast. Ze lacht, nee hoor, ze zou het niet voorstellen als ze er geen zin in had en dus wandel ik mee met deze kleine vrouw. Ze is pezig, atletisch, heeft een rugzakje bij en we stappen op een stevig tempo door.
“Wandel je al lang elke dag?” Ze knikt
“Al drie jaar, ik ben begonnen met 3km en dan heb ik het opgebouwd. Ik wandel ook vaak met mijn zus maar ze praat veel, ik ook trouwens.” Ze lacht als ze dit zegt.
“Vind je alleen of samen wandelen fijner?”
“Allebei, als ik alleen wandel kan ik ontspannen en echt genieten van de natuur. Met mijn zus wandelen is ook fijn dan babbelen we bij en we geraken nooit uitgepraat.” We blijven stappen en komen in Bokrijk aan. Nog even een plaspauze en we wandelen verder.
“Heb je nog broers en zussen?”
“We zijn met zeven, een grote familie en ik ben een van de jongsten. Mijn oudste zus is 12 jaar ouder dan ik en dat is een heel verschil.” Ik knik, ik herken het, mijn jongste broer is ook 12 jaar jonger dan ik en hij zit nog in een andere levensfase met nog jonge kindjes en zijn carrière die hij volop aan het uitbouwen is.
We praten verder over onze families en welke invloed dat op ons heeft, met wie we kunnen opschieten en met wie het stroever verloopt.
“Weet je, ik heb 30 jaar anorexia gehad en vijf jaar geleden dacht ik nu moet ik ermee stoppen, nu moet ik mijn leven omkeren en ik ben begonnen met wandelen.” Ik zie de tekenen van 30 jaar vechten tegen anorexia in de lijnen van haar gezicht maar haar ogen, haar ogen, lieve mensen!
Die glinsteren, omrand door een blauw potloodje. Ze schitteren van levendigheid en vastberadenheid. Een onwrikbare wil om te leven.
“Het is een gevecht geweest, op een bepaald moment woog ik nog maar 28 kilo en lag op intensieve met nierfalen. Toen mijn specialist zei dat dit de laatste keer was dat ze mij konden helpen dacht ik dat ik mij moest herpakken. Er moest iets gebeuren. Het is soms nog moeilijk, als er moeilijke momenten zijn is dit het eerste waar ik naar grijp. Niet eten. Het is vermoeiend maar het gaat beter. Ik laat mij regelmatig controleren en ik ben gezond nu.” Ik luister geboeid naar haar verhaal. Wat een veerkracht!
“ Het is iets dwangmatig, lijkt mij, zo moeilijk om te stoppen. Klopt dat?”
“Ja, het lijkt wel alsof er een mannetje in mijn hoofd zegt dat ik moet sporten, dat ik alleen maar dit of dat mag eten, alleen maar als ik genoeg gesport heb mag ik eten. En het heeft niks te maken met dun willen zijn. Het is het gevoel als ik het klaar krijg om niet te eten! Het geeft mij het gevoel dat ik sterk ben, dat ik iets overwonnen heb.”
“Een soort beloning?” Ze knikt.
“Ja zo voelt het maar ik weet nu dat het niet waar is dat ik mezelf zo gewoon kapot maak. Ik vecht er nu tegen. Het wandelen helpt mij erbij. Dat was een stukje mijn genezing.
“Misschien geeft het wandelen dezelfde stoffen vrij als het niet eten.”
“Ik denk het wel want ik mis bepaalde stofjes in mijn hersenen waardoor ik anorexia gekregen heb.
 Ik weet niet hoe de stofjes heten maar dat klopt wel voor mij.”
We wandelen verder, zijn even stil.
“Sorry als ik dit zo vertel, ik wil dat niet zo op je leggen.” Zegt ze snel.
“Ik vind het niet erg! Ik hou van verhalen en ik ben een therapeute.” Lach ik.
En een schrijfster,  je bent een schrijfster, roept een stemmetje binnenin mij maar ik zeg het niet luidop. Ik ben daar nog steeds niet helemaal zeker van of ik dat wel ben.
Ik voel hoe ik snel de rol van therapeute inneem, hoe deze rol mij past maar ik wil deze rol niet op mij nemen in deze wandeling.  
“Ik wil mij niet opdringen.” Zeg ik. “Ik wil niet graven in je verleden ofzo, vind je het erg als ik vragen stel?”
“Neen, ik schaam mij er niet meer voor. Dat was lang zo maar nu niet meer. Iedereen heeft zijn gevecht, dit was de mijne.” Ik vind haar moedig en ik hou van moedige mensen. Ze gaan door de pijn heen, vallen maar staan weer op. Een beetje meer geblutst maar nog mooier dan eerst, zij bezitten hun verhaal, niet andersom.
We wandelen in stilte verder en ik deel mijn verhaal met haar als een klein geschenkje.
“Ik ben in het begin van dit jaar mijn ouders kwijt geraakt, op drie dagen van elkaar. Ik zit nog midden in het rouwproces. Rouwen is alles, alle gevoelens bij elkaar.”
Ik merk dat ze luistert, dat ze mee leeft, ze legt gauw haar arm om mij heen en we lachen naar elkaar.
“Het is vreselijk om iemand te verliezen en het leven gaat gewoon door. Ik bedoel niet dat het niet erg is maar je moet gewoon door,  wat ga je anders doen.” Zegt ze en haar ogen kijken mij meelevend aan.
“Dat klopt, als er iets is wat ik geleerd heb dit jaar is dat ik niet anders kan dan accepteren wat voor mij ligt. Dat ik alles mag voelen maar het leven gaat door.”
“Het heeft geen zin om jezelf ziek te maken van verdriet, dat zouden je ouders ook niet gewild hebben, denk ik.”
“Dat is waar, ik kan ze eren door goed te leven ook al mis ik hen elke dag. Soms vergeet ik zelfs dat ze er niet meer zijn en dan als ik er weer aan denk dan voelt het alsof iemand mij een boksslag in mijn maag geeft. Dan kan ik even niet meer ademen.”
We praten wat verder over het leven en draaien een mooie weg in, het is fijn wandelen met haar en de gesprekken gaan zonder moeite heen en weer. Ze is grappig en kijkt met een frisse blik naar het leven. Dokters zouden wandelen moeten voorschrijven en bewijzen vragen, denk ik. Ik raad het mijn cliënten altijd aan, elke dag een half uur naar buiten, de frisse lucht in.

“Wacht! Hoe laat is het?!” Ik blijf plots staan.
“Het is twintig na elf.”
“Oei, ik moet Isabelle van school halen! Ik moet nu terug.” Ik ga nooit op tijd komen, denk ik.
“Durf je alleen terug?” En ik weet dat als ik nee zeg dat ze de moeite zou doen om mee terug te wandelen maar ik voel mij moediger.
“Ja, hoor!” En ik meen het.
We wisselen telefoonnummers uit.
“Hoe heet je?” Vraag ik.
“Mijn naam is Rosita.”







maandag 8 november 2021

Verlangen

 We zitten samen op een bankje, Verlangen en ik.

"Ik vind je lastig." Zeg ik en ik weiger naar jou te kijken.
Ik voel dat je knikt. 
"Ik weet het." Zeg je.

"Ga je voor altijd blijven?" Ik hou de leuning van het bankje stevig vast. 
Je zucht.
"Ik denk het wel."
Ik heb zin om heel snel weg te rennen of misschien geef ik je wel een klap maar ik doe niks en blijf heel stil zitten.
De zon schijnt op onze gezichten en de vogels fluiten blij. 
"Goed dan" Zeg ik snel en ik draai mij om om naar jou te kijken.
Er komt een wolk voor de zon en ik zie dat je er maar heel gewoon uit ziet, minder angstaanjagend dan ik dacht.
Ik zie hun gezichten in jouw ogen flitsen en ik glimlach. Ik word blij van jou.
Zo blijven we even zitten en ik raak je gezicht aan, net als ik hun gezichten streelde in die laatste nachten. 
We lachen naar elkaar. Het geluid doet mij aan zijn zware stem denken en de cadans van hun taal.

"Het is bijna een jaar, weet je." Zeg ik en ik vraag mij af hoe het komt dat ik de dagen nog tel, de maanden nog afmeet aan hun afwezigheid, hoe ik soms kan vergeten dat ze er niet meer zijn en als het besef dan terug komt dan raakt het mij als een mokerslag. 
"Elk seizoen. Ik denk dat ik daarom blijf zodat je je kan blijven herinneren dat er ook schoonheid was, dat er niet enkel pijn is in rouw. Dat het leven anders is maar je nog steeds roept, dat je er nog bent en dat ze nog in jou leven."
Ik draai met mijn ogen. Ik vind je sentimenteel en steek mijn tong naar je uit. Je lacht. 
"Ik had ze liever hier bij mij." Zeg ik als een koppig kind dat de waarheid niet wil horen.
Je trekt je schouders op. "Het is wat het is."

Als ik opsta wandel je met mij mee en ik houd je hand vast, mijn hart doet een beetje pijn vandaag.





maandag 9 augustus 2021

Zes + maanden

Soms pluk ik stukjes tijd en hou ze in mijn hand. Ik draai ze rond en rond en als ik aan de uiteinden trek dan kan ik erin kijken. Ik duik in elk beeld dat ze vasthouden van hen. Levend, lachend, ademend, vrij.
Ik zie handen die een sigaret vasthouden, ik hoor lachende stemmen en liedjes gezongen in de auto.

Er blijft een beeld terugkomen, ik ben 8 en maak een puzzel op de vloer van ons appartement in Sledderlo. Mijn moeder kamt haar lange bruine haren die bijna tot aan haar billen komen.
"Giovà, vlecht mijn haren." Ze zet zich op een stoel en glimlacht naar mij.
Mijn vader kamt haar haren langzaam opnieuw vanop haar kruin tot aan de puntjes dan verdeelt hij haar haren in drie strengen. Hij neemt zijn tijd en legt elke streng haar over en onder de andere streng totdat zich er een mooie glanzende vlecht vormt. Ze praten, lachen en roken een sigaret. Het Italiaans vloeit over en langs mij heen. Ik zit heel stil en zie wat er gebeurt tussen deze twee tegenpolen. De ene zo rustig en ingetogen, de ander ongeduldig en explosief.
Maar vandaag lijken de rollen omgekeerd, mijn moeder babbelt honderduit terwijl mijn vader haar haren vlecht. Op haar vragen antwoordt hij met "Si coro meu" ja, mijn hart in het Sardisch gesproken. Onze blikken kruisen mekaar en hij lacht naar mij, een beetje verlegen alsof ik hem betrapt heb op zachtheid.

Het beeld vervaagt, ik sluit mijn ogen, ik leef in Droomtijd. Ik pluk nog een stukje tijd.

Ik lig in een ziekenhuisbed na een zwaar auto ongeluk, mijn moeder wandelt door de gang, haar gezicht staat ernstig maar rustig. Achter haar lopen dokters met witte jassen aan. Een jonge dokter strekt zijn hand uit en raakt mijn moeder haar vlecht, die over haar rug ligt, aan. 
Snel draait ze zich om en slaat zijn hand weg, ze kijkt woedend naar hem en voor ze zich omdraait gooit ze hem een minachtende blik toe. De jonge dokter schrikt en kijkt beschaamd, hij lijkt verbaasd dat hij dit deed. Mijn moeder stapt verder door de gang met opgeheven hoofd en in mijn ogen lijkt ze groter dan al die dokters bij elkaar. Als ze mijn kamer inloopt lichten haar ogen op. Ik zeg niets van wat ik gezien heb.

Ik ben gulzig vandaag, ik pluk nog een stukje tijd.

Opnieuw lig ik in een ziekenhuisbed en mijn vader buigt zich over mij heen om zijn eerste kleinkind te ontmoeten. Hij kust mij op mijn wang en aait mijn zoon zachtjes over zijn hoofdje. Hij spreekt een zegen uit in het Sardisch voor een lang en gelukkig leven. Er glinsteren tranen in zijn ogen.
"Grazie, Pa." 

Nog een stukje tijd.

Ik loop het huis binnen, de deur staat op een kier.
"Hey ma, hey pa." 
"Moninca!" Aapje. Ik ben 43j en nog steeds noemt hij mij aapje.
Hij glundert en wijst naar al het voedsel dat ze hebben meegenomen uit Sardinië. 
"Dat is allemaal voor papa, niemand krijgt iets." plaagt hij mij. Ik lach want ik weet dat ik straks naar huis ga met kaas, worst, brood en wijn.
"En de kinderen?" 
"Timmy komt straks, ik kom net van mijn werk, ma."
"Ik heb ze gemist, al mijn kleinkinderen!" 
"En mij, ma. Hebt ge mij ook gemist?" vraag ik haar met een brede grijns op mijn gezicht.
"Jaja, Manuela. Ik heb u ook gemist." en ze maakt een handgebaar die het tegendeel beweerd.
Maar haar ogen zeggen mij dat ze blij is om mij te zien. 
We eten, lachen en ik luister naar het nieuws en de roddels uit Sardinië. Later komen de anderen binnen en het volume gaat omhoog in dat kleine huisje waar we zo dicht langs elkaar geleefd hebben.

Ik kan niet voor altijd in Droomtijd leven, alle stukjes tijd in mijn hand krullen op en ik blaas ze weg.
De poes strijkt langs mijn benen, hij heeft honger. Samen wandelen we naar binnen. De dag is bijna om.



woensdag 30 juni 2021

Vijf maanden



 Vandaag heb ik het overtrekset dat ik van jou heb gekregen op ons bed gelegd. Je zei dat het te groot was voor jouw bed en als ik het mooi vond mocht ik het hebben. Het is inderdaad een mooi overtrekset, ma. Al die maanden lag het gewoon in de kast. Betekent dit dat ik het stilletjes accepteer dat jullie er niet meer zijn? 
Ik kan nog steeds jouw handtas, die ik zo mooi vond, niet gebruiken, ma. Al jouw spulletjes zo ordelijk gesorteerd in de juiste vakjes, ze ligt nog steeds op jouw zetel die bij ons boven staat. Naast jouw handschoenen en dekentje. Een lieve collega zei dat ik mijn tijd moest nemen, dat dat misschien nog komt en dat het normaal is, alles is normaal van wat ik doe en niet doe in deze periode. Ondertussen draait de wereld weer verder op een waanzinnig tempo.

Ik merk dat ik verander dat ik niet meer ben wie ik eerst was, dat er een ruimte is ontstaan binnenin mij waarin steeds dezelfde vraag weerklinkt. Wie ben ik zonder jullie? Ben ik nog steeds een dochter, het meisje dat jullie kenden en mee gevormd hebben? Het voelt alsof ik nu pas volwassen ben, de buffer voor mij weggevaagd, een onmetelijke ruimte strekt zich uit die niet zo makkelijk te vullen is.

Ik wandel langs de ruimte af, nog te heilig om helemaal in te vullen, ik leun er tegenaan en kijk naar de rimpels die deze gebeurtenis heeft veroorzaakt binnen onze familie en mezelf. Ik fluister dat ik nog leef,  dat ik vertrouwen mag hebben in het leven omdat de ergste ervaringen gebeuren op zaterdagen en dinsdagen. En dat ik het niet kan tegen houden. Dat ik nog steeds leef.

Anderhalf jaar corona en ik leef nog.
Jullie zijn vijf maanden dood en ik leef nog.
Een begrafenis organiseren voor 15 mensen en ik leef nog.
Wil je daar iets grappig over horen, ma? We waren met 17. Ik heb Vincent jonger gemaakt toen die rare vrouw met vettige haren kwam vragen hoe oud hij was. We wisten beiden dat ik loog maar toen ik haar in stilte uitdaagde om het uit te spreken zei ze maar niks meer. Je zou erom hebben moeten lachen, ma. 
Je hield niet van flauwe zever en aanstellerig gedrag, je was een kleine rebel en ik vind jou steeds vaker in mezelf terug. Daar ben ik blij om. Ik vul daar een stukje van de ruimte mee in.

Stilletjes vul ik de ruimte in met het idee dat het leven uit een aaneenschakeling van ervaringen bestaat en dat het bij momenten verdomd veel pijn doet. Dat ik kan en mag leven hoe ik wil. Ik voel een zekere onbevreesdheid als een zaadje dat zich ontvouwt. Onderscheidingsvermogen, wat en wie wil ik wel en niet in mijn buurt. Ook hierin herken ik jou in mij, ma.
Toen je ziek werd veranderde jij ook, je werd vrijer en minder angstig over wat anderen van jou dachten. We spraken hier zo vaak over met ons twee als we samen gingen koffie drinken. Over het leven en hoe we het wilden leven. 

"Ik vind je moedig, ma." Zei ik na de zoveelste chemo.
"Manuela, we moeten toch door, wat gaat ge doen in uw bed blijven liggen? Dat is geen optie!" Zei je met een felheid in jouw ogen waar ik stil van werd.
Het zijn die woorden die mij vooruit duwen en mij de ruimte laten innemen binnenin mij, rusten mag, rouwen mag, voorgoed blijven liggen niet. Er zijn nog veel te veel ervaringen die op mij wachten.
 
De diagnose is net opnieuw gevallen, uitzaaiingen naar de longen, we lopen samen naar de auto en in de ondergrondse van het ZOL sta ik stil. Je wandelt verder en merkt niet dadelijk dat ik verstijft stilsta, mijn hart klopt in mijn keel en mijn buik doet pijn. Als je het merkt draai je je verbaast om.
"Manue, wat is er?"
"Ma, ik ben nog niet klaar om zonder u te leven." Zeg ik. 
Je kijkt mij een ogenblik aan en haast je naar mij toe. Je pakt mijn hand vast.
"Ik ben nog niet van plan om te sterven, ge zult zien, het duurt nog lang voordat ik sterf!" Samen lopen we naar de auto. Het zou nog 6j duren voordat we jou zouden verliezen en je nam papa met je mee.

Ik mis je, ma.

 

zondag 23 mei 2021

4 maanden

 

"Het wordt niet echt beter." zegt de bakkersvrouw die haar moeder een paar jaar geleden is kwijtgeraakt en ze kijkt mij met begripvolle ogen aan. Ik knik alleen maar, ik hoor nu bij een nieuwe club van mensen die hun ouders of ouder kwijt zijn. Een club waar ik mij nooit voor heb aangemeld en waar ik geen lidkaart van wilde hebben.
Het is niet het verdriet waar ik bang voor ben, die is mij bekend, ze rolt regelmatig over mij heen en drukt mij diep de grond in en ik wacht totdat ze weer wat zachter wordt.
Het is de woede waar ik voor terugschrik, die ik wil onderdrukken, wil langs kijken. Deze boosheid die alle zachtheid wegneemt, relaties kan opblazen en enkel bitterheid achter laat. Die mij verstikt.
Het is deze boosheid die onderhandelt om nog 1 dag, 1u te hebben om te omhelzen, om te weten of zij ok zijn. Of de illusie weg te nemen. 

"Je zal berusten maar nu nog niet." zegt een tante die al veel verloren is.
Maar ik wil niet berusten, ik wil kwaad zijn en tegen muren stampen, ik wil vechten en krijsen als een kind dat haar ouders kwijt is. 
Elke dag is een stapje verder bij hen vandaan, elke dag neemt het missen toe en elke dag blijft het verlangen toenemen. 

"Ik weet niet wat ik moet zeggen." zegt een lieve vriendin en dat is ok, ik weet het ook niet. Ik heb geen antwoorden. Ze vraagt voorzichtig of het als een depressie voelt omdat ze dat kent, ze zoekt naar raakvlakken. Ik schud mijn hoofd, neen, het voelt niet als een depressie.
Ik verbaas mij erover dat ik toch nog kan lachen en blij zijn, dat rouwen alles omhelst. Dat ik een ritme ontdek dat volledig van mij is. Dat het geen wegzinken is maar bij momenten wel een grote verdwijntruc lijkt omdat ik op adem moet komen, niet aan het verdriet voorbij mag gaan omdat ze mij dan dagen later kopje onder duwt. Dat in de zetel zitten, weggekropen in een hoekje een manier is om het verdriet weg te houden, haar te verdoven met series die mijn aandacht niet kunnen vasthouden. Dat rouw beweging nodig heeft om te helen. Dat ik soms boos ben op die meisjesachtige, domme tranen dat ik soms niet begrijp waar die tranen nog vandaan bijven komen maar ze mij helen, verzachten. 

"Hoe gaat het?" vragen mensen. Lief bedoelt maar het is een vraag die mij verlamt. Mijn ouders zijn dood, hoe wil je dat het met mij gaat, wil ik roepen. Meestal trek ik mijn schouders op en kijk een beetje hulpeloos omdat ik geen antwoord heb. Niet. Het gaat niet. Of wil je vragen hoe ik mij voel? Maar voeg er dan vandaag bij. Hoe gaat het vandaag met je? want soms lukt het en soms lukt het niet. Soms kan ik ademen en soms wil ik languit op de grond gaan liggen en niet meer bewegen. 
Er is geen stappenplan, ik zet twee stappen vooruit en drie achteruit. Vandaag ben ik hier.
Misschien is rouw dit wel het meeste voor mij, hier zijn, in het nu. Op een plek waar heel mijn leven en ook hun leven bijeenkomt, hoe ik besef dat zij een deel van mij zijn, letterlijk. Dat is biologie, hoe hun cellen in mij verder leven, hoe mijn handen mijn moeder haar handen zijn, mijn ogen mijn vader zijn ogen. Hoe mijn lijf mij met hen verbind. 




maandag 22 februari 2021

Een maand.




Rouwen is hard werken, het is stilstaan en vooruit gaan.

En geen van beiden kies ik zelf.

Het is een sluier die over mij heen ligt.
Mijn Verdriet veilig houdt, mijn nieuwe metgezel, die aan mij plakt en vlekken op mijn kleren maakt. 
Mijn Verdriet is trouw. Ze wijkt niet. Wacht mij op.
Ze slaapt bij mij, doucht met mij, eet met mij uit hetzelfde bord. Vermoeit mij.

Ze is van mij, hoort bij mij. Ik wil haar voelen van mijn vingertoppen tot aan de puntjes van mijn tenen. Ik wil niet ontzien worden, wil haar niet aan anderen overgeven. Ik wil haar beleven, haar dragen als een mantel. Haar enkel onthullen op mijn voorwaarden, op mijn tijd, mijn moment.

Ze is heilig, duwt mij, vernietigt wie ik was.
Als ik in haar struikel, naar die plek ga waar enkel herinneringen en twijfels leven bedekt zij mij, houdt mij stevig vast.
Ze is van mij, ik koester haar totdat ze zachter wordt, ik haar in mijn zak kan steken als iets kostbaar, als woorden die ik zal neerschrijven, fluisteren, roepen. 

Ik heb pijn, ik heb pijn,ik heb pijn. En. Ik mis jullie, ik mis jullie, ik mis jullie.


                                         











maandag 3 augustus 2020

De grote wilde moeder

De zomer is omgevlogen en als ik denk aan onze vakantie in Denemarken dan denk ik aan de avond dat Isabelle en ik op het strand liepen.

De zee was wild, de golven kwamen snel op ons af en trokken zich even snel terug.
"Je moet altijd voorzichtig zijn met de zee, Belle. Ook al lijkt ze rustig dan nog kan ze gevaarlijk zijn. De zee is als een grote wilde moeder." probeer ik haar uit te leggen.
Ze kijkt naar mij en lacht vlug " zoals jij mama!"
Ik lach naar haar, mijn kleine, slimme dochter.

Een grote, wilde moeder zijn, het zal niet altijd de perfecte, beheerste moeder zijn maar een moeder die haar best doet om haar leven voluit te leven ondanks de angsten die haar soms doen bibberen.
De moeder die soms impulsief kan zijn maar geen cm wijkt als haar geliefden haar nodig hebben.  Soms is ze kalm en rustig maar zelden saai. Ze vergeeft snel maar vergeet niet en is bereidt om te onderhandelen. Geeft haar fouten toe en leert haar kinderen om zichzelf niet te serieus te nemen.

En als haar kinderen willen dan wil ze graag haar schatten met hen delen die diep in haar verborgen zitten in de vorm van verhalen. Verhalen die ze kunnenn ontvouwen, als een kaart die hen de weg naar huis wijst in dit zotte leven.





Alleen zijn

Alleen zijn verbergt pareltjes in zich maar ik merk dat ik, voordat ik de parels vind, vaak door een gevoel van afwijzing moet. Alsof ik wakker word en niet begrijp dat er geen mensen rond mij zijn, niet iemand die mijn hulp of aandacht nodig heeft. Dat ik alleen door dit bos wandel met enkel mijn water, schrift en pen bij de hand. Dat het mij angst aanjaagt omdat ik weet dat “goede” meisjes niet alleen door een bos wandelen, zich niet blootstellen aan gevaar, voorzichtig zijn en zichzelf veilig stellen. Dat ik net zo goed thuis kan schrijven, in mijn tuin, VEILIG. Ik zucht, duw de stem van mijn moeder van mij af en wandel verder, ik zit in het sportbos van Genk, niet ergens alleen in het amazonewoud, grommel ik op mezelf.
En dan, het bos is ook van mij. Ik mag hier rondlopen, alleen zonder bang te zijn maar ik merk hoe mijn oren zich spitsen op elke eikel die geluid maakt.
Ik stap nog wat sneller en vind een plek om te zitten, onder een mooie boom, in het zicht maar niet te opvallend en schrijf, schrijf over mezelf, over het bos, de afwijzing, diep verdriet.
In eenzaamheid vind ik mezelf, in stilte kan ik mijzelf weer horen en kan ik weer op adem komen.

Waarom doe ik het dan zo weinig, vraag ik mezelf af. Ik heb de neiging om mezelf te omringen met veel en interessante mensen. Draai lustig mee op de carrousel, geniet van de wind in mijn haar en de luide muziek totdat ik er helemaal mee vol zit. Van het topje van mijn tenen tot mijn kruin vol van gesprekken, meningen, hulpvragen, ideeën en ik vind mijn stem niet meer. Ik moet de stilte in om haar te vinden tussen het ruis van de wereld en als ik haar vind ziet ze eruit als een verfomfaaid vogeltje. Ze kijkt mij verongelijkt aan en ik neem haar op schoot, strijk de veren glad en beloof voor de zoveelste keer dat ik het deze keer niet vergeten zal, dat ik de carrousel op tijd zal laten stoppen, dat ze welkom is en dat ik de muziek wat zachter zal zetten. En dan komen de woorden, de zinnen, de zachtheid naar waar ik op zoek ben, in het bos waar de wolven leven. 

maandag 21 januari 2019

De jas

"Ik vertrek nu!" roep ik naar mijn dochter die nog op haar gemak haar jas aantrekt.
"Nee, mama!" snel ritst ze haar jas dicht en holt naar buiten. Ik sluit de deur en steek de sleutel in mijn zak van de geel met zwarte jas, het is koud. Op die paar minuten is mijn dochter al naar achter in de tuin gerend en ik hoor haar "oh's" en "ah's" omdat alles bevroren is en hoe mooi het allemaal is.
"Kom, Belle, we komen te laat!"

Samen wandelen we naar school en ze vertelt over haar droom vannacht, wijst mij op een plasje dat bevroren is en zegt dat ze blij is dat wij niet bevroren zijn. Ik hou van haar gebabbel en ik wijs haar op het ijs op de bladeren en de auto's.
Als we aankomen op school, overweldigt de drukte haar en als ik afscheid wil nemen, zegt ze dat ze bij mij wil blijven, met mij wil gaan wandelen. Ik omhels haar stevig en fluister dat ik haar vanavond kom halen en dat we nog gauw gaan wandelen als ze haar choco gedronken heeft.
De bel gaat en ik vertrek.

De oude man voor mij gaat aan de kant.
"Ik hoorde jouw snelle stappen en dacht dat je haast zou hebben dus dacht ik, ik zal maar aan de kant gaan."  Hij glimlacht, we kennen elkaar van de wandelingen naar school.
"Erg, he" zeg ik "dat zelfs op mijn vrije dag ik mij nog voortdurend aan het haasten ben."
"Ach, mevrouw dat is de tijd tegenwoordig. In het zuiden is dat anders." Zegt hij, zeker van zichzelf.

Bij de splitsing nemen we afscheid en ik wandel verder, ik heb inderdaad altijd haast. Alles gaat snel, snel en ik heb steeds het gevoel dat ik achter de feiten aan loop.
In gedachten verzonken wandel ik ons huis voorbij en wandel verder naar het speeltuintje op de kleine berg. Ik zie er blikjes liggen, raap ze op en gooi ze in de vuilbak. Ik wandel verder het pad af met de zon in mijn rug. Ik kijk naar de witte huizen waar het licht zo mooi op schijnt en wandel verder, ik weet waar ik naar toe wil. Het verkeer van de school is weg en de rust keert terug. Ik wandel de heuvel op en kom langs het zwembad om dan verder de hei in te wandelen.  Het is koud maar ik hou van deze plek, van hieruit zie ik de Terril in de verte, de horizon gaat hier van zacht roze naar lichtblauw. Ik ga zitten in het zand en kijk verder, voel de stilte en de rust. Een man komt voorbij met zijn hond, het beestje komt aan mij snuffelen en ik aai hem zachtjes over zijn kop.
"Ik ben goed volk, jongen." fluister ik en hij duwt zijn kop even tegen mij aan. Als zijn baasje roept wandelt hij verder.

"Je hebt wel je nieuwe jas aan." zegt het stemmetje binnenin mij. "Straks is het vuil." Ik haal mijn schouders op, de jas is van mij, ik niet van de jas, toch?
"En je haar is vettig." gooit ze erachteraan.
Ik denk aan de vriendinnen die dit zouden toejuichen en de vriendin die mij zei dat ik met deze geel-zwarte jas altijd zwarte schoenen moet dragen en liefst mijn kledij altijd in 1 kleur. Ik glimlach, de jas lokt vele meningen uit, vooral mijn eigen mening. Hoe ik durfde om zo'n dure jas te kopen, ik hoor een andere vriendin lachen die het niet veel geld vond toen ik een tikkeltje beschaamd de prijs zei. En mijn eigen eis dat als ik deze opvallende hommel jas kocht ik er ook extra goed voor moest zorgen! Er vooral niet op een maandagochtend mee in het zand van de hei moet gaan zitten! Ik zucht, duw de vriendinnen en mijn eigen mening naar de achtergrond en kijk naar de heide die paars lijkt onder het wit, hoe mooi deze ochtend is en dat het mij niet kan schelen wat anderen vinden en vooral wat ik mezelf opleg. De jas helpt mij ermee.

"Je lijkt wel een hommeltje. "zei de collega toen ze mij tegenkwam op het werk.
"Oh?"
"Jaha, maar we houden van hommeltjes dus dat is goed. " Glimlachtte ze.
"Geen wespetaille dus. "knipoog ik maar ze luisterde al niet meer.

Ik sta op en wandel verder het pad af, achter de kerk door naar beneden, kom weer langs de school en wandel verder naar huis. Alles is stil binnenin, de vriendinnen en mijn eigen kritische stem zwijgen. Het is rustig, geen haast vandaag.

maandag 19 maart 2018

Wat wens ik voor mezelf?

“Wat wens je voor jezelf in het nieuwe jaar?” Ze leunt naar voor en kijkt mij doordringend aan.
Ik haal mijn schouders op. “Ik wens dat mijn gezin gezond blijft, vooral dat ja, gezond en dat we een rustig jaar tegemoet gaan.” Ze leunt achteruit en kijkt verveeld. Ik voel dat ik iets mis heb gezegd, dat ik niet voldoe, dat ik een veilig antwoord heb gegeven.
Het is even stil tussen ons, ik voel mijn ademhaling versnellen en wens dat ik ergens anders was. Mijn antwoord was toch niet verkeerd? Gewoon, toch?
Ze richt haar grote donkere ogen weer op mij en ik voel mij weer negen, ben er zeker van dat ze recht door mij uit kijkt en ziet dat ik eigenlijk niet veel voorstel.
Mijn lichaam verstrakt, mijn hart klopt nog wat sneller maar ik weet niet goed wat ik mis gedaan heb. Ik voel mij bevroren, begrijp niet waarom ik niet gewoon kan opstaan en vertrekken.
Ik begin zenuwachtig te praten, voel binnenin mij dat ik wil voldoen, wil goed doen, terug op een goed blaadje wil staan.
“Heb jij een fijne kerst gehad? Met familie of liever met vrienden? Lekker gegeten?” Mijn gedachten gaan razendsnel, tuimelen alle kanten op en ik voel dat er iemand binnenin mij strak naar haar reacties kijkt, is ze blij met mij? Vindt ze mij interessant? Ben ik lief genoeg? Glimlacht ze?
Dat doet ze dus niet en ik voel de onrust kloppen, wat kan ik nog meer zeggen dan wat ik gezegd heb, hoe kan ik terug veilig aan land komen?

Ze schudt haar hoofd en ik stort vanbinnen in, voel hoe er tralies voor de ramen schuiven en het kind in mij in paniek zijn handjes er omheen klemt. Dan kijkt ze mij weer aan, buigt opnieuw naar voren en vraagt mij opnieuw: “Wat wens je voor jezelf in het nieuwe jaar? Niet voor een ander maar voor jezelf! Wat wil je, hoe ga je die vermoeidheid tegen gaan? Wat ga je doen en wat ga je laten? Kom niet af met flauwe zever! Ik weet wie je bent en wat er mogelijk is!”
Ik slik en slik opnieuw, ze ziet het, ze ziet dat ik niet voldoe, niet veel waard ben en maar doe alsof ik alle antwoorden heb.
“Ik weet niet wat je wil horen!” mijn stem klinkt zwak en klagerig en ik haat mezelf zo intens, het kind binnenin mij duikt in mekaar, is doodsbang.
“Antwoord dan! Je weet het wel, je probeert niet eens!” Ze is boos en ik voel de paniek in mijzelf stijgen. Dan zucht ze en leunt weer acherover. Vanbinnen ben ik 4 en ik kan mij nergens verbergen.

Ik heb mijn blik afgewend, kijk naar de vloer. Stilletjes raap ik al mijn stukjes bijeen en probeer op adem te komen en ik word boos, voel mij betrapt en gekwetst. Ze heeft gelijk, ik weet niet hoe ik voor mezelf kan zorgen, hoe ik overeind kan blijven als de weken te snel gaan en ik mij aan strohalmen moet vastgrijpen, ik weet wat ik fijn vind maar niet hoe ik ruimte moet creeën om het te doen. Ik heb dat nooit geleerd, het is mij nooit voorgedaan, ik was te druk met kijken hoe anderen zich gedroegen zodat ik kon anticiperen op hun gedrag. Ik moest leren om veilig te zijn.

“Ik weet het wel, ik ga, ik ga terug zwemmen en schrijven.” Ze kijkt mij strak aan. Knikt kort.
Het kind heft het hoofd op, houdt haar adem in en ik begin.

“Ik ga meer plannen en voor mezelf kiezen, ik ga meer discipline inbouwen voor mezelf en mijn gezin. Ik krijg rust als mijn was gedaan is en dat het netjes is thuis. Ik ga mijzelf niet meer verdoven door op mijn gsm te zitten, meer wandelen, meer buiten komen, meer lachen en vroeger gaan slapen. Ik ga in de arena staan ook al tril ik op mijn benen en minder lui zijn. Rituelen inbouwen en ik ga de lat lager leggen, genoeg is goed genoeg.” Uitgeput laat ik mij achterover in de zetel vallen. Dit is de manier waarop ik voor mezelf zal zorgen, door alles dag per dag te nemen zonder mijzelf te verliezen maar vooral door mezelf graag te zien omdat ik weet dat ik mijn best doe, elke dag opnieuw. Ze kijkt mij nog steeds aan en ik zie iets glinsteren in haar ogen, ze knikt.
“Je doet je best, elke dag opnieuw...hou maar van jezelf dat mag, het is goed zo, je hoeft je best niet doen maar vergeet niet wat je rust geeft en doe meer van dat. Vergeet niet wat je laat sprankelen en doe meer van dat, vergeet niet om jezelf elke dag af te vragen waar je behoefte aan hebt en doe dat dan. Wees lief voor jezelf.”

Ik heb het koud en wil thuis onder mijn dekentje gaan liggen en slapen. Het kind binnenin mij gaat mee liggen, ik neem haar dicht bij mij en knuffel haar, ruik aan haar haren. Ze is rustig nu. Ik hou van je fluister ik, ze glimlacht.  

dinsdag 13 juni 2017

De sikkel

Hij zat aan tafel, klaar om bediend te worden. Zijn eten was zoals altijd op tijd, daar zorgde ze voor.
Zoals gewoonlijk keek hij haar niet aan, hij las de krant terwijl zij de tafel dekte en zijn bord vol pasta schepte.
Hij zag dat ze wat ruwer was vandaag, hoe ze met afgemeten gebaren zijn glas volschonk met wijn.
Altijd iets met die vrouw, dacht hij en hij wuifde haar weg toen ze het brood langs zijn bord legde.

Haar gedachten gingen heen en weer, hij had haar vernederd en niet voor de eerste keer! Steeds opnieuw moest ze de blikken van de andere vrouwen in het dorp verdragen. Hoe ze haar smalend aankeken, erger nog vond ze als ze haar met medelijden aankeken om dan snel hun hoofd weg te draaien als ze hun blik opving.
Maar vandaag was het nog erger geweest, hoe die hoer van een Luigina haar lachje had geveinsd terwijl ze over het hoofd van dat lelijk kind van haar had gestreeld. Ze had haar hierbij recht in de ogen gekeken. Schaamteloos. Zo goed als ze kon had ze haar hoofd recht gehouden en hooghartig teruggekeken totdat de andere vrouw haar blik neersloeg. Toch was deze overwinning niet genoeg!
Haar bloed borrelde, spetterde in haar hoofd als lava, klaar om eruit te stromen.

Hij had gegeten, was opgestaan en riep dat hij nog even een wandeling ging maken. Ze had niet eens geantwoord, ze wist waar hij naartoe ging.
Toen hij die nacht langs haar in bed kroop, stilletjes om haar niet wakker te maken was ze klaar.
Ze lag met haar rug naar hem toe, de sikkel langs haar. Ze wachtte tot hij sliep, ging langs zijn kant van het bed staan, boog zich voorover, nam zijn linkeroor vast en in één snelle beweging sneed ze zijn oor af. Het bloed in haar hoofd zakte.

Hij schreeuwde, sprong op en drukte zijn hand tegen zijn linkeroor. Verbijsterd keek hij haar aan, deze kleine vrouw, haar nachthemd rood van de bloedspetters, haar haren los en de sikkel in haar rechterhand. Ze leek wel een heks!
“Wat heb je gedaan?!” Schreeuwde hij.
“Wat ik allang had moeten doen!” Siste ze.
Hij kon haar alleen maar stom aankijken.
Traag draaide zij zich om en stak haar voeten in haar laarzen, sloeg een omslagdoek rond haar schouders en stapte de deur uit. De nacht in.

Ze wist wat ze zou doen, daar had ze over nagedacht. De carabinieri schrokken zich dood toen ze haar zagen, dachten in eerste instantie dat ze gewond was en deinsden geschrokken terug toen ze hen rustig vertelden wat ze had gedaan.
Éen agent haastte zich naar haar man om hem naar de dokter te brengen, de ander probeerde op haar in te praten.
“Pietta, je weet hoe mannen zijn...”maar voor hij kon uitpraten keek ze hem woedend aan en was hij blij dat ze de sikkel al had afgegeven.
“Hij heeft mij vernederd met die hoer!” spuwde ze hem toe. Beschaamd hield hij zijn mond, te verbijsterd om zo groffe praat te horen uit de mond van een vrouw die anders zo zachtaardig was.
Tegelijkertijd begreep hij niet dat ze zo boos kon worden om iets wat alle mannen weleens deden.
Hij schudde zijn hoofd en keek haar aan:”Pietta, ik moet je opsluiten.” Hij wist niet goed wat hij moest doen, probeerde haar blik te ontwijken. Een respectabele vrouw in de gevangenis. De wereld was gek geworden.

Zwijgend liet ze zich naar de cel brengen en stijfjes ging ze op de brits zitten
De agent schraapte zijn keel:” Wil je wat water?”
Ze antwoorde niet maar hij bracht haar een glas en een karaf water.
Drie dagen later kwam haar man haar halen. Hooghartig stapte ze uit de cel. Niemand had een woord uit haar gekregen.
Ze ging weer naar huis waar hij zijn ruwe manieren weer oppakte maar het was anders, hij was op zijn hoede. Hij wist nu tot wat ze in staat was.


zondag 4 juni 2017

Er komt altijd iets in de plaats!

Weer een vrijdagavond, ik zet "The odd life of Timothy Green" op,het is een klein pareltje van een film, geen geweld, vieze woorden of sex. Gewoon een leuke film die ik samen met de kindjes (is ene van 9 nog een kindje?) kan kijken.
Tot mijn verbazing blijven ze meekijken en de vragen vliegen in het rond:
"Waarom heeft hij blaadjes op zijn benen?"
"Gaat dat meisje hem pesten?"
"Zie je, daar, ze pesten hem! Ik zou ze allemaal slaan!"
Er wordt intens meegeleefd met Timothy.
En dan komt het moment dat Timothy na veel avonturen afscheid neemt...
"Ohnee, gaat hij dood?!" Vincent houdt zich niet in en huilt tranen met tuiten met het kussen tegen zich aangedrukt.
Isabelle ligt voor mij zachtjes te snikken en ik probeer maar uit te leggen dat het een natuurjongen is dat hij terug naar de natuur moet. Maar het afscheid valt zwaar en ze zijn zo aangedaan dat ik zelf begin te huilen. Heb ik al gezegd hoe mooi deze film is?
Met ons drie zitten we tegen elkaar aan te huilen, Timmy wordt erbij geroepen en we geven elkaar een grote knuffel.(We lijken een Disney familie🙄)
"Nooit, nooit laat ik jullie achter, mama" zegt Vincent en ik weet dat het niet waar is dat het ok is als hij het wel doet maar vanavond laat ik hem erin geloven.
Ik neem Isabelle op en breng haar naar de badkamer, we poetsen onze tanden.
"Dat was een verdrietige film,he mama."
"Ja, schat,"
"Komt die jongen nog terug als het Lente is?"
"Nee, lieveke hij moest terug naar de natuur."
Ze dubt hier een beetje over. "Weggaan is niet fijn,he mama"
"Maar er komt altijd iets voor in de plaats, lieveke." Daar is ze nog niet zeker van maar ze zal het wel leren.

dinsdag 22 november 2016

Love Everything Still

Tweeëntwintig november is het vandaag en ik droom een beetje weg naar die eerste keer dat ik je mocht vasthouden, ik was vijf en je vader legde jou in mijn armen.
Ik weet niet meer goed hoe je eruit zag maar ik herinner mij wel het gevoel, hoe trots ik was dat ik jou wél mocht vasthouden en een tante van ons niet. Hoe zij grommelde en ik glunderde omdat je zo ook een beetje meer van mij was.
En ik droom van de keren dat we samen in de auto zaten en ik jouw grote nicht speelde maar jij mij zo vaak iets leerde door open naar de wereld te kijken en hoe je je hoofd boog om goed te kunnen luisteren naar wat ik zei. En ik vraag mij af of je door had dat ik niet alles wist en mij soms zo kwetsbaar voelde. Vast wel, ik zag het soms in je ogen.
Ik mis die gesprekken met jou en ik ben bang dat ik daar niet altijd genoeg tijd voor genomen heb, dat het leven zo snel ging en op een dag was je weg.

De rauwe pijn is weggesleten maar het missen gaat steeds dieper, ik mis je, ik mis je, ik mis je...
Ik zou je willen vertellen wat ik de afgelopen jaren geleerd heb en welke weg ik ingeslagen ben, dat ik een stukje jouw pad volg met de mensen die jij kende en hoe fijn dat voelt.

En ik voel mij boos worden omdat de foto's die ik zie steeds dezelfde zijn, dat er geen nieuwe meer zullen bijkomen en dat dat gewoon niet genoeg is! Ik heb zin om met borden te smijten en heel hard te roepen dat het niet eerlijk is, dat het niet had mogen gebeuren, dat jij zoveel mist en dat wij jou missen! Ik wil eisen dat je terugkomt en ben tot onderhandelen bereid, mijn hoofd gloeit en mijn keel knijpt dicht van woede. Ik roep niet, gooi niks en slik het allemaal weg want op wie moet ik boos zijn? Naar wie moet ik iets gooien? Wie moet ik van oneerlijkheid beschuldigen?
En als mijn boosheid zakt en ik weer een beetje vrijer kan ademen dan voel ik dat het voorbij is, dat ik je hier niet meer zal zien.

En dan droom ik, ik droom dat ik je zie en hoe blij ik ben en hoe groot het verlangen is. Je wandelt in een veld met hoog gras en de zon schijnt, je draait je om en lacht naar mij, zegt iets maar ik hoor je niet. Ik zie je door mijn tranen heen, zo duidelijk, nog steeds jezelf...
En zo simpel maak je het voor mij, daar ben je dan en ik laat je niet los, geef niet op met geloven dat ik je ooit weer zal ontmoeten en hoe trots ik zal zijn om je weer te omhelzen.

Gelukkige verjaardag, hippie neefje.

Manuela

vrijdag 11 november 2016

Tandenborstel

(Ook deze tekst werd in 2006 geschreven als opdracht bij de lessen Creatief Schrijven bij Daan Pleumeekers)

 Hij staat onder de douche, het water is warm. De tegels zijn koud. Hij omarmt zichzelf en staart naar de herinnering die zich achter het gordijn heeft afgespeeld. Was het een week geleden of twee? Hij weet het niet meer zo goed. Herinnert zich alleen dat hij onder de douche stond zoals nu, zij had op de houten wasmand gezeten en hem verteld dat ze zou vertrekken. Dat ze het niet meer zag zitten tussen hen. Dat het geen zin meer had. De tegels waren toen even koud als nu.
De druppels spatten uit elkaar op zijn armen. Hij rilt onder het warm water.
 “Ze heeft gelijk.” Denkt hij. “Het spijt me, het spijt me, het spijt me.” Mompelt hij tegen het douchegordijn. Gek genoeg weet hij niet echt wat hem zo spijt. Zijn woorden vermengen zich met het water en spoelen weg. Hoe vaak heeft hij zich verontschuldigt? Elke keer opnieuw totdat ze niets meer hielpen, niks meer raakten. Haar zeker niet. Niet meer. “Ik heb het geprobeerd.” Denkt hij. Dat weet ze, het is haar ook niet gelukt.
Het water koelt af, de tegels worden nog kouder. Hij wil niet achter het douchegordijn uitkomen. Niet in een appartement waar zij niet is.
“Ik hou van je.” Had hij gezegd. Hij had geweten dat hij deze woorden eerder had moeten zeggen.
“Ik weet het.” Had ze geknikt. “Het is niet genoeg.”
Toen had hij maar niks meer gezegd.
“Ik hou ook van jou. Maar het lukt niet. Ik…jij, ik…wij…ik…we zijn te verschillend.” Ze had een hulpeloos gebaar gemaakt en haar hoofd geschud. Gooide haar rugzak over haar rechterschouder.
Ze had gehuild, haar ogen waren rood en opgezet. Hij had haar willen troosten maar de vastberaden blik in haar ogen hield hem tegen. Niks was nog vanzelfsprekend.
“Ik zal je koffer dragen.”
“Hoeft niet, dank je.”
“Alsjeblieft.”
“Echt niet, ik kan het niet verdragen om je onder aan de trap te zien staan als ik weg rij.” Ze had een afwerend gebaar gemaakt met haar linkerhand. Haar koffer opgepakt, hem gekust en was vertrokken. Zomaar. Ineens.
Nu wenst hij dat hij haar koffer toch naar onder had gedragen. Dan had hij nu dat laatste beeld gehad van haar in de auto. Met haar hoofd tegen het raam ondersteunt door haar linkerhand en haar rechterhand op het stuur. Dat deed ze altijd als ze triest was.
Iets hard zit vast in zijn keel, hij probeert te slikken maar het lukt niet. Hij hoest een paar keer. Toch maar uit de douche. Hij droogt zich af, tussen zijn tenen, achter zijn oren en wrijft zijn huid totdat die gloeit. Hij slikt en hoest nog eens.
Als hij voor de lavabo staat vindt hij haar tandenborstel. Een blauwe. Hij neemt altijd de groene. Zonder twijfelen drukt hij wat tandpasta over de haartjes die alle richtingen uitstaan en poetst zijn tanden met haar tandenborstel.
Hij schrobt elke tand, hard. Daarna vult hij zijn mond met water, spuwt het uit en kijkt hoe het schuim en zijn speeksel door het afvoerputje loopt.
De telefoon rinkelt. Zou het? Snel slaat hij een handdoek om en loopt naar de telefoon. Het verlangen knijpt zijn maag dicht. Hij neemt de hoorn van de haak, zijn handen zweten.
“Hallo?”
“Met mij.”
Stilte, hij slikt nog eens, hard.
“Hallo? Ben je er nog?”
“Ja.” Een schor geluid komt uit zijn keel.
“En…hoe is het met je?” Haar stem klinkt verstikt.
“Goed.”
“Ben je kwaad op mij?”
Hij zwijgt, denkt aan haar tandenborstel in de badkamer. Vormt de zin in zijn hoofd.
“Ik kan niet geloven dat je kwaad bent op mij, je weet goed wat het mij gekost heeft om bij je weg te gaan. Je hebt nooit een woord gezegd.” Ze huilt nu.
“Ik ben helemaal niet kwaad op je!” Waarom zou hij zeggen dat haar tandenborstel in de badkamer ligt, ze heeft waarschijnlijk al een ander.
“Waarom zeg je niks?”
“Wat wil je dat ik zeg?” Hij voelt haar frustratie door de telefoon heen. Het spijt me, elke keer opnieuw. Het raakt niks meer.
Zij luistert niet, hoort alleen haar ervaring spreken. “Hier word ik zo moe van.”
“Wat bedoel je, ik ben niet kwaad!”
“Ik voel het toch! Zeg toch gewoon wat je denkt, ga je weer de martelaar uithangen?”
“Ik ben niet kwaad. Jij hebt hiervoor gekozen, ik niet.”
“Zie je wel dat je kwaad bent.” Ze slikt, hard.
Hij vraagt zich af of ze ook iets hard in haar keel voelt.
“Wat wil je dan?”
“Ik wil dat je eerlijk bent. Dat je eens één keer zegt wat je voelt. Dat wil ik.”
“Ik ben niet kwaad.”
Hij hoort hoe zij naar adem hapt en hij weet dat ze haar armen stijf tegen zich aandrukt. Haar ogen gesloten. Dan klinkt haar stem oud en moe.
“Ik ben mijn tandenborstel vergeten, denk ik.”
“Heb niks gezien.” Waarom heeft ze nog geen nieuwe gekocht? Zijn bloed begint sneller te stromen. “Er zijn er nog genoeg in de winkel, waarom wil je dat oud ding?” Hij hoopt dat het een beetje grappig klinkt. Zo bedoelt hij dat.
Een afwerend geluid. “Ach, ik heb al een nieuwe gekocht.”
“Waarom bel je dan?” Zijn hart klopt in zijn keel.
“Maakt het wat uit? Ik moet gaan.”
“Ik mis je.” Het blijft stil aan de andere kant van de lijn heeft ze hem wel gehoord. Heeft hij het wel gezegd? Hij hoort hoe ze uitademt.
“Ik ook.”
Nu, nu moet hij iets zeggen. Iets betekenisvol, iets belangrijks. Hij weet niet wat. Zijn handen drukken de hoorn harder tegen zijn oor.
“Je tandenborstel ligt in de badkamer.” Het ding in zijn keel wordt harder.
“Hou maar. Ik moet gaan werken. Dag.”
“Dag.”
Geen tot ziens of ik zie je nog. Hij weigert om neer te leggen, wil haar nog even dichtbij houden. Zoekt koortsig naar woorden, belangrijke woorden. Iets betekenisvol. Dan een klik. Ze heeft neergelegd.



Manuela Del Rio

Maart 2006

God is groot

(Dit verhaal heb ik in 2006 geschreven toen ik nog voor het OCMW in Bilzen met vluchtelingen werkte en les volgde bij Daan Pleumeekers in de academie van Hasselt)

Ze had het gezegd. Vlot, zonder aarzelen had ze hen het  slechte nieuws verteld.
De jongens zaten verslagen aan haar bureau. Twee broers uit Iran, hun moeder en jongste broer waren er niet bij vandaag . Ze zag de jongste van de twee verschillende keren slikken, hij veegde zijn hand langs zijn wang maar ze had de traan gezien.

Ze keek rond. Haar bureau was rommelig. Haar dossiers lagen in twee hoopjes voor haar. Met één hand schoof ze die aan de kant. Het dossier van de jongens lag op haar schoot, ze haalde het document dat ze gisteren had gekregen eruit.
“Wat moeten we nu doen?” vroeg de oudste. Hij was even oud als zij, gelukkig niet meer zo verlegen als twee jaar geleden.
“Ik weet het niet, er is niks meer dat ik voor jullie kan doen.” Ze wreef met haar handen over haar gezicht. Ze was moe, ze was het allemaal moe vandaag. Ze had nog hard gevochten om wat geld los te krijgen maar het Comité had niet willen luisteren.
Er viel een stilte, ze keek de jongens aan. De oudste was in het begin verlegen geweest. Daarna had hij haar altijd met respect behandeld. Allemaal eigenlijk. Zij had alles gedaan wat in haar macht lag om hen te helpen.
De jongste zat stil voor zich uit te staren, ze wist niet zeker of hij luisterde naar wat ze zei. Hij had een moedervlek net onder zijn linkeroog. Ze had altijd gevonden dat de vlek op Frankrijk leek. Hij was de vlotste van de drie broers, een aantrekkelijke jongen. Hij was zeventien toen ze hem voor het eerst ontmoette. Zijn moeder was toen bij hem.
“Ik ga niet meer naar school,” had hij vol zelfvertrouwen verklaard.
“Oh ja? Ben je afgestudeerd misschien? Je bent te slim zeker,” had ze gezegd.
Zij moeder moest lachen.
Enzo had  ze de strijd gewonnen. Weken later had ze hem brutaal gevraagd of hij een lief had. Hij antwoordde dat hij er drie had. Verontwaardigd had ze geroepen dat hij eerlijk moest zijn maar hij moest alleen maar lachen. Het gezin kwam regelmatig langs om raad te vragen. En ze zag hoe ze zich steeds meer integreerden. Ze juichte want ze was vrij zeker van de procedure. Dit gezin zou blijven, ze verdienden het.

Hier zat ze nu met de uitspraak. “Onontvankelijk verklaard.” Haar Iraans gezin. De jongens keken haar nog steeds aan, zochten een antwoord in haar ogen. Ze schaamde zich omdat ze koel kon zeggen dat ze niks meer kon doen. De jongste bleef over zijn wang wrijven en slikken.
Niets viel er nog te zeggen maar ze kon hen niet wegsturen, haar keel kneep dicht. Wat zouden ze nu doen? Er zou geen geld zijn om de huur te betalen, schoolboeken, voedsel…Ze haatte de wereld.

“Mijn moeder is ziek, dat weet je.” Het was weer de oudste die sprak.
“Alle medische kosten mag je binnenbrengen, die betalen wij.” Ze had zoveel meer willen zeggen.
“Mogen we nog wel eens langskomen?” vroeg de jongste plotseling.
Haar keel deed pijn.
“Altijd.” Eén woord, meer kon ze niet zeggen.
“Het komt wel goed, er komt wel een oplossing. God is groot.” Zei de jongste en de traan viel langs zijn wang.  
   
Manuela Del Rio

2006

Helden


We zitten in de auto.

"Mama, mag ik speelgoed van de pyjamahelden voor Sinterklaas?"
"Ah, is dat van die tekenfilm waar jij naar kijkt? Tuurlijk, welk mannetje zou je dan het liefste willen?"
"Catboy, dat is wel een goede,he mama. Geen slechte hoor."
"Ok, schat." Ik volg het verkeer en het is even stil op de achterbank.
"Mama?"
"Mmm?"
"Wat zou een superheld moeten doen als er geen slechte is?"

Ik ben even stil. "Dat heb je goed gezien,schat, het is door de slechten dat we helden nodig hebben."
Ah, zijn opmerkzaamheid raakt mij elke keer weer en later als we thuis zijn en het eindelijk rustig is denk ik na over helden.
Dat we allemaal in ons leven een held nodig hebben en dan vooral in onze jeugd als we nog kwetsbaar zijn en soms de weg kwijt zijn. Zomaar iemand die met een simpele opmerking je van koers laat veranderen, iemand die je uitdaagt zoals die leerkracht van wiskunde die het ooit gelukt is om mij 60% te laten halen op een examen (nog altijd geen idee hoe dat gelukt is toen!) of die wildvreemde die het voor mij opnam toen ik aangevallen werd in Leuven.

Helden buiten onszelf die het leven wat kleur geven en in een moment laten zien dat het leven waard is om geleefd te worden.
En ik hoop dat we niet vergeten om ook weer helden te durven zijn voor jongeren die ons nodig hebben, hoe doe ik dat vraag je mij? Door jezelf te zijn, door een compliment te geven en door iemand gerust te stellen dat fouten er zijn om gemaakt te worden en dat we samen kunnen kijken hoe we het kunnen oplossen. Door een connectie te maken en te glimlachen als je iemand zijn blik kruist op straat, door dichter bij  dat meisje te gaan staan dat misschien in de schemering alleen op de bus staat te wachten, door een verdwaald kind niet te negeren maar door stil te staan en te vragen of zijn ouders in de buurt zijn.

Is het zo simpel, vraag je mij misschien en ik knik. Ja, het is zo simpel, het is al een eeuwenoud recept, vriendelijkheid. Betrokkenheid. Zorg. Alert zijn en een koppige weigering om cynisme toe te laten en als dat niet volledig gaat laat het dan niet te lang duren.
Je knikt en ik zie dat je mij maar een idealist vindt, weer zo'n naïeveling die denkt dat de wereld van suikerspin gemaakt is, denk je. Ik vind het niet heel erg, een beetje maar en dan waag ik de sprong.
"Je vindt mij naïef, he?"Vraag ik.
Zo'n rechstreekse vraag had je niet verwacht en ik zegen in gedachte een vriendin die ik dit al 1000e keren heb zien doen. Zij glimlacht altijd als ze je zo'n vraag stelt en daar sta je dan met je mond vol tanden. Dus ik glimlach maar mijn hart klopt snel, ik heb de vraag gesteld en dus moet ik op het antwoord wachten.
"Euh, tja, ja eigenlijk, eigenlijk wel een beetje wel,ja" Het gekke is dat ik blij ben met dit eerlijk antwoord! Ik val niet acherover, heb geen behoefte om mij te verdedigen en tot mijn verbazing hoor ik mijzelf jou bedanken omdat je zo eerlijk bent geweest. Dus vandaag ben je een beetje mijn held geweest, zonder het te beseffen heb je mij iets waardevol gegeven, een eerlijk antwoord op een vraag die onthulde hoe ik vanbinnen in mekaar zit. Het maakt zelfs niet uit wat het antwoord was, dus ja het is zo simpel,zie je?

donderdag 8 september 2016

Vrijdagavond

Vrijdagavond is de dag dat ik samen met de kindjes in bed kruip en we samen een film op TV kijken.
Dan lig ik in het midden met aan elke kant een aapje. 
"Kom mama, we maken het gezellig" en de kussens worden tegen de steun gezet om er fijn tegenaan te liggen.
"Wat zegt die mijnheer,mama?" Mijn dochter kent nog geen Engels.
"Dat hij verdrietig is dat het hondje zal sterven."
"Gaat het hondje sterven?! Ik wil niet kijken! Dit is een droevige film, mama!" Mijn gevoelige zoon klinkt verwijtend en hij trekt snel het deken over zijn hoofd.
"Is hij dood?" klinkt het gesmoord.
"Nee, lieveke, hij leeft nog." En ik vraag mezelf af of ik deze film wel moest opzetten.
"Wij kennen ook iemand die gestorven is." Zegt hij met een klein stemmetje.
"Aja?"
"Michelle" de kat van bij de grootouders
"Das waar, mis je haar heel erg?"
"Ja" en hij nestelt zich fijn tegen mij aan.
"Ook mijn overvader is verstorven, he mama" Mijn dochter is nog steeds verdrietig dat ze haar overgrootouders nooit gekend heeft want ze is ervan overtuigd dat ze haar "heel leuk" hadden gevonden.
"mmhmmm"
"Waarom gaat die hond dood, mama?"
"Omdat hij heel erg oud is, lieveke"
"Ben jij ook heel erg oud,mama?" Ah, mijn pientere dochter.
"Nee schatje, nog niet dat duurt nog heel lang!" En ik hoop maar dat het waar is.

Dan komt de reclame en een jonge twintiger zegt dat we onze huid op tijd moeten insmeren tegen rimpels.
"Heb ik rimpels,mama?"
"Sjatteke, je bent 8 jaar dan heb je nog geen rimpels!" Ik lach totdat de volgende vraag komt.
"Heb jij rimpels,mama?"
"Euh, hmmm, ik, euh, niet zoveel, denk ik."
Mijn zoon ligt gelukkig al te slapen voordat de hond sterft en mijn dochter ligt langs mij te zingen, over haar dag en hoe het geweest is en dat de zon scheen vandaag en dat ze een ijsje gegeten heeft.
Ik neem haar op en leg haar in bed waar ze als een blok in slaap valt, daarna breng ik mijn zoon naar zijn kamer.
Mijn vrijdagen zijn bedoelt om bij te tanken, te ruiken aan hun haren en hun warme lijfjes tegen mij aan te voelen. Honderdeneen vragen te beantwoorden en de wereld even zonder ons te laten draaien.
Slaap lekker allemaal.

Manuela

Drempels


Er zijn van die dagen dat ik aan zijn drempels denk en ik met God in discussie ga.
"Waarom? Waarom mijn zoon? Was het handje niet genoeg, ook nog diagnose op diagnose?"
Ik ben boos, gefrustreerd maar vooral verdrietig. 
"Waarom heb Je hem zo'n moeilijk pad gegeven?"
Er zijn nachten dat ik woel en draai omdat de toekomst niet te beheersen valt.
En dan onderhandel ik met Hem.
"Goed dan, weet Je ik hoef geen kleinkinderen maar zorg dat hij iemand vindt die van hem houdt en waar hij van houdt. Deze ben je mij schuldig!" voeg ik er dwingend aan toe.
Je zucht en ik hoor je stem, mijn stem?
"Kijk wat een mooi hart ik hem gegeven heb. Kijk in zijn ogen naar zijn ziel en kijk hoeveel liefde erin schuilt. Hij is intelligent en gevoelig."
Ik schud gefrustreerd mijn hoofd.
"Maar hij heeft het soms zo moeilijk en dat doet mij pijn!" en als de storm in mij opsteekt dan raas ik verder binnenin.
"Zorg maar dat Je een goede uitleg hebt als ik ik Je ontmoet want die ben je mij schuldig, ja Jij!" en met deze storm binnenin zou ik bomen uit de grond kunnen rukken en dorpen blank kunnen zetten.
Ik ben boos en verdrietig en drup drup drup daar komen de tranen.
Uitgeput van het onderhandelen, boos zijn en dreigen en dan komt de vraag die mijn vragen verstomd.
"Waarom kijk je alleen maar naar wat je niet begrijpt? Waarom kijk je niet naar alles wat er wel is?" Het is een zachte vraag, niet verwijtend maar ik krimp in elkaar.
"Kijk goed naar wie hij rond zich heeft, hoe hij mensen raakt, naar de leerkrachten die hem met zoveel geduld onderwijzen. Kijk naar zijn zusje die hij kan beschermen en waar hij van leert om voor zichzelf op te komen. Kijk dan, kijk naar de vriendjes rond hem, zijn familie, zijn vader, zijn moeder. Kijk hoe mooi alles beweegt en hoe jij bergen voor hem verzet. Hoe hij van je houdt. En eerlijk gezegd denk ik dat je hem een hondje moet kopen."
Mijn hart verlicht een beetje maar ik geef mij niet zomaar gewonnen.
"Je had hem tenminste billen kunnen geven want zijn broek zakt telkens af!" Je lacht en ik glimlach.
Er valt een stilte binnenin mij en ik hoor gerommel in de andere kamer.
"Mama!"
"Ja?"
"Mag ik op de tablet?"
"Even maar!" En ik bedenk mij dat we maar eens naar een pup moeten zoeken.

Manuela