"Ik vertrek nu!" roep ik naar mijn dochter die nog op haar gemak haar jas aantrekt.
"Nee, mama!" snel ritst ze haar jas dicht en holt naar buiten. Ik sluit de deur en steek de sleutel in mijn zak van de geel met zwarte jas, het is koud. Op die paar minuten is mijn dochter al naar achter in de tuin gerend en ik hoor haar "oh's" en "ah's" omdat alles bevroren is en hoe mooi het allemaal is.
"Kom, Belle, we komen te laat!"
Samen wandelen we naar school en ze vertelt over haar droom vannacht, wijst mij op een plasje dat bevroren is en zegt dat ze blij is dat wij niet bevroren zijn. Ik hou van haar gebabbel en ik wijs haar op het ijs op de bladeren en de auto's.
Als we aankomen op school, overweldigt de drukte haar en als ik afscheid wil nemen, zegt ze dat ze bij mij wil blijven, met mij wil gaan wandelen. Ik omhels haar stevig en fluister dat ik haar vanavond kom halen en dat we nog gauw gaan wandelen als ze haar choco gedronken heeft.
De bel gaat en ik vertrek.
De oude man voor mij gaat aan de kant.
"Ik hoorde jouw snelle stappen en dacht dat je haast zou hebben dus dacht ik, ik zal maar aan de kant gaan." Hij glimlacht, we kennen elkaar van de wandelingen naar school.
"Erg, he" zeg ik "dat zelfs op mijn vrije dag ik mij nog voortdurend aan het haasten ben."
"Ach, mevrouw dat is de tijd tegenwoordig. In het zuiden is dat anders." Zegt hij, zeker van zichzelf.
Bij de splitsing nemen we afscheid en ik wandel verder, ik heb inderdaad altijd haast. Alles gaat snel, snel en ik heb steeds het gevoel dat ik achter de feiten aan loop.
In gedachten verzonken wandel ik ons huis voorbij en wandel verder naar het speeltuintje op de kleine berg. Ik zie er blikjes liggen, raap ze op en gooi ze in de vuilbak. Ik wandel verder het pad af met de zon in mijn rug. Ik kijk naar de witte huizen waar het licht zo mooi op schijnt en wandel verder, ik weet waar ik naar toe wil. Het verkeer van de school is weg en de rust keert terug. Ik wandel de heuvel op en kom langs het zwembad om dan verder de hei in te wandelen. Het is koud maar ik hou van deze plek, van hieruit zie ik de Terril in de verte, de horizon gaat hier van zacht roze naar lichtblauw. Ik ga zitten in het zand en kijk verder, voel de stilte en de rust. Een man komt voorbij met zijn hond, het beestje komt aan mij snuffelen en ik aai hem zachtjes over zijn kop.
"Ik ben goed volk, jongen." fluister ik en hij duwt zijn kop even tegen mij aan. Als zijn baasje roept wandelt hij verder.
"Je hebt wel je nieuwe jas aan." zegt het stemmetje binnenin mij. "Straks is het vuil." Ik haal mijn schouders op, de jas is van mij, ik niet van de jas, toch?
"En je haar is vettig." gooit ze erachteraan.
Ik denk aan de vriendinnen die dit zouden toejuichen en de vriendin die mij zei dat ik met deze geel-zwarte jas altijd zwarte schoenen moet dragen en liefst mijn kledij altijd in 1 kleur. Ik glimlach, de jas lokt vele meningen uit, vooral mijn eigen mening. Hoe ik durfde om zo'n dure jas te kopen, ik hoor een andere vriendin lachen die het niet veel geld vond toen ik een tikkeltje beschaamd de prijs zei. En mijn eigen eis dat als ik deze opvallende hommel jas kocht ik er ook extra goed voor moest zorgen! Er vooral niet op een maandagochtend mee in het zand van de hei moet gaan zitten! Ik zucht, duw de vriendinnen en mijn eigen mening naar de achtergrond en kijk naar de heide die paars lijkt onder het wit, hoe mooi deze ochtend is en dat het mij niet kan schelen wat anderen vinden en vooral wat ik mezelf opleg. De jas helpt mij ermee.
"Je lijkt wel een hommeltje. "zei de collega toen ze mij tegenkwam op het werk.
"Oh?"
"Jaha, maar we houden van hommeltjes dus dat is goed. " Glimlachtte ze.
"Geen wespetaille dus. "knipoog ik maar ze luisterde al niet meer.
Ik sta op en wandel verder het pad af, achter de kerk door naar beneden, kom weer langs de school en wandel verder naar huis. Alles is stil binnenin, de vriendinnen en mijn eigen kritische stem zwijgen. Het is rustig, geen haast vandaag.
maandag 21 januari 2019
maandag 19 maart 2018
Wat wens ik voor mezelf?
“Wat wens je voor jezelf in het
nieuwe jaar?” Ze leunt naar voor en kijkt mij doordringend aan.
Ik haal mijn schouders op. “Ik wens dat mijn gezin gezond blijft, vooral dat ja, gezond en dat we een rustig jaar tegemoet gaan.” Ze leunt achteruit en kijkt verveeld. Ik voel dat ik iets mis heb gezegd, dat ik niet voldoe, dat ik een veilig antwoord heb gegeven.
Het is even stil tussen ons, ik voel mijn ademhaling versnellen en wens dat ik ergens anders was. Mijn antwoord was toch niet verkeerd? Gewoon, toch?
Ze richt haar grote donkere ogen weer op mij en ik voel mij weer negen, ben er zeker van dat ze recht door mij uit kijkt en ziet dat ik eigenlijk niet veel voorstel.
Mijn lichaam verstrakt, mijn hart klopt nog wat sneller maar ik weet niet goed wat ik mis gedaan heb. Ik voel mij bevroren, begrijp niet waarom ik niet gewoon kan opstaan en vertrekken.
Ik begin zenuwachtig te praten, voel binnenin mij dat ik wil voldoen, wil goed doen, terug op een goed blaadje wil staan.
“Heb jij een fijne kerst gehad? Met familie of liever met vrienden? Lekker gegeten?” Mijn gedachten gaan razendsnel, tuimelen alle kanten op en ik voel dat er iemand binnenin mij strak naar haar reacties kijkt, is ze blij met mij? Vindt ze mij interessant? Ben ik lief genoeg? Glimlacht ze?
Dat doet ze dus niet en ik voel de onrust kloppen, wat kan ik nog meer zeggen dan wat ik gezegd heb, hoe kan ik terug veilig aan land komen?
Ze schudt haar hoofd en ik stort vanbinnen in, voel hoe er tralies voor de ramen schuiven en het kind in mij in paniek zijn handjes er omheen klemt. Dan kijkt ze mij weer aan, buigt opnieuw naar voren en vraagt mij opnieuw: “Wat wens je voor jezelf in het nieuwe jaar? Niet voor een ander maar voor jezelf! Wat wil je, hoe ga je die vermoeidheid tegen gaan? Wat ga je doen en wat ga je laten? Kom niet af met flauwe zever! Ik weet wie je bent en wat er mogelijk is!”
Ik slik en slik opnieuw, ze ziet het, ze ziet dat ik niet voldoe, niet veel waard ben en maar doe alsof ik alle antwoorden heb.
“Ik weet niet wat je wil horen!” mijn stem klinkt zwak en klagerig en ik haat mezelf zo intens, het kind binnenin mij duikt in mekaar, is doodsbang.
“Antwoord dan! Je weet het wel, je probeert niet eens!” Ze is boos en ik voel de paniek in mijzelf stijgen. Dan zucht ze en leunt weer acherover. Vanbinnen ben ik 4 en ik kan mij nergens verbergen.
Ik haal mijn schouders op. “Ik wens dat mijn gezin gezond blijft, vooral dat ja, gezond en dat we een rustig jaar tegemoet gaan.” Ze leunt achteruit en kijkt verveeld. Ik voel dat ik iets mis heb gezegd, dat ik niet voldoe, dat ik een veilig antwoord heb gegeven.
Het is even stil tussen ons, ik voel mijn ademhaling versnellen en wens dat ik ergens anders was. Mijn antwoord was toch niet verkeerd? Gewoon, toch?
Ze richt haar grote donkere ogen weer op mij en ik voel mij weer negen, ben er zeker van dat ze recht door mij uit kijkt en ziet dat ik eigenlijk niet veel voorstel.
Mijn lichaam verstrakt, mijn hart klopt nog wat sneller maar ik weet niet goed wat ik mis gedaan heb. Ik voel mij bevroren, begrijp niet waarom ik niet gewoon kan opstaan en vertrekken.
Ik begin zenuwachtig te praten, voel binnenin mij dat ik wil voldoen, wil goed doen, terug op een goed blaadje wil staan.
“Heb jij een fijne kerst gehad? Met familie of liever met vrienden? Lekker gegeten?” Mijn gedachten gaan razendsnel, tuimelen alle kanten op en ik voel dat er iemand binnenin mij strak naar haar reacties kijkt, is ze blij met mij? Vindt ze mij interessant? Ben ik lief genoeg? Glimlacht ze?
Dat doet ze dus niet en ik voel de onrust kloppen, wat kan ik nog meer zeggen dan wat ik gezegd heb, hoe kan ik terug veilig aan land komen?
Ze schudt haar hoofd en ik stort vanbinnen in, voel hoe er tralies voor de ramen schuiven en het kind in mij in paniek zijn handjes er omheen klemt. Dan kijkt ze mij weer aan, buigt opnieuw naar voren en vraagt mij opnieuw: “Wat wens je voor jezelf in het nieuwe jaar? Niet voor een ander maar voor jezelf! Wat wil je, hoe ga je die vermoeidheid tegen gaan? Wat ga je doen en wat ga je laten? Kom niet af met flauwe zever! Ik weet wie je bent en wat er mogelijk is!”
Ik slik en slik opnieuw, ze ziet het, ze ziet dat ik niet voldoe, niet veel waard ben en maar doe alsof ik alle antwoorden heb.
“Ik weet niet wat je wil horen!” mijn stem klinkt zwak en klagerig en ik haat mezelf zo intens, het kind binnenin mij duikt in mekaar, is doodsbang.
“Antwoord dan! Je weet het wel, je probeert niet eens!” Ze is boos en ik voel de paniek in mijzelf stijgen. Dan zucht ze en leunt weer acherover. Vanbinnen ben ik 4 en ik kan mij nergens verbergen.
Ik heb mijn blik afgewend, kijk naar de
vloer. Stilletjes raap ik al mijn stukjes bijeen en probeer op adem
te komen en ik word boos, voel mij betrapt en gekwetst. Ze heeft
gelijk, ik weet niet hoe ik voor mezelf kan zorgen, hoe ik overeind
kan blijven als de weken te snel gaan en ik mij aan strohalmen moet
vastgrijpen, ik weet wat ik fijn vind maar niet hoe ik ruimte moet
creeën om het te doen. Ik heb dat nooit geleerd, het is mij nooit
voorgedaan, ik was te druk met kijken hoe anderen zich gedroegen
zodat ik kon anticiperen op hun gedrag. Ik moest leren om veilig te
zijn.
“Ik weet het wel, ik ga, ik ga terug zwemmen en schrijven.” Ze kijkt mij strak aan. Knikt kort.
Het kind heft het hoofd op, houdt haar adem in en ik begin.
“Ik ga meer plannen en voor mezelf kiezen, ik ga meer discipline inbouwen voor mezelf en mijn gezin. Ik krijg rust als mijn was gedaan is en dat het netjes is thuis. Ik ga mijzelf niet meer verdoven door op mijn gsm te zitten, meer wandelen, meer buiten komen, meer lachen en vroeger gaan slapen. Ik ga in de arena staan ook al tril ik op mijn benen en minder lui zijn. Rituelen inbouwen en ik ga de lat lager leggen, genoeg is goed genoeg.” Uitgeput laat ik mij achterover in de zetel vallen. Dit is de manier waarop ik voor mezelf zal zorgen, door alles dag per dag te nemen zonder mijzelf te verliezen maar vooral door mezelf graag te zien omdat ik weet dat ik mijn best doe, elke dag opnieuw. Ze kijkt mij nog steeds aan en ik zie iets glinsteren in haar ogen, ze knikt.
“Je doet je best, elke dag opnieuw...hou maar van jezelf dat mag, het is goed zo, je hoeft je best niet doen maar vergeet niet wat je rust geeft en doe meer van dat. Vergeet niet wat je laat sprankelen en doe meer van dat, vergeet niet om jezelf elke dag af te vragen waar je behoefte aan hebt en doe dat dan. Wees lief voor jezelf.”
“Ik weet het wel, ik ga, ik ga terug zwemmen en schrijven.” Ze kijkt mij strak aan. Knikt kort.
Het kind heft het hoofd op, houdt haar adem in en ik begin.
“Ik ga meer plannen en voor mezelf kiezen, ik ga meer discipline inbouwen voor mezelf en mijn gezin. Ik krijg rust als mijn was gedaan is en dat het netjes is thuis. Ik ga mijzelf niet meer verdoven door op mijn gsm te zitten, meer wandelen, meer buiten komen, meer lachen en vroeger gaan slapen. Ik ga in de arena staan ook al tril ik op mijn benen en minder lui zijn. Rituelen inbouwen en ik ga de lat lager leggen, genoeg is goed genoeg.” Uitgeput laat ik mij achterover in de zetel vallen. Dit is de manier waarop ik voor mezelf zal zorgen, door alles dag per dag te nemen zonder mijzelf te verliezen maar vooral door mezelf graag te zien omdat ik weet dat ik mijn best doe, elke dag opnieuw. Ze kijkt mij nog steeds aan en ik zie iets glinsteren in haar ogen, ze knikt.
“Je doet je best, elke dag opnieuw...hou maar van jezelf dat mag, het is goed zo, je hoeft je best niet doen maar vergeet niet wat je rust geeft en doe meer van dat. Vergeet niet wat je laat sprankelen en doe meer van dat, vergeet niet om jezelf elke dag af te vragen waar je behoefte aan hebt en doe dat dan. Wees lief voor jezelf.”
Ik heb het koud en wil thuis onder mijn
dekentje gaan liggen en slapen. Het kind binnenin mij gaat mee
liggen, ik neem haar dicht bij mij en knuffel haar, ruik aan haar
haren. Ze is rustig nu. Ik hou van je fluister ik, ze glimlacht.
dinsdag 13 juni 2017
De sikkel
Hij zat aan tafel, klaar om bediend te
worden. Zijn eten was zoals altijd op tijd, daar zorgde ze voor.
Zoals gewoonlijk keek hij haar niet aan, hij las de krant terwijl zij de tafel dekte en zijn bord vol pasta schepte.
Hij zag dat ze wat ruwer was vandaag, hoe ze met afgemeten gebaren zijn glas volschonk met wijn.
Altijd iets met die vrouw, dacht hij en hij wuifde haar weg toen ze het brood langs zijn bord legde.
Haar gedachten gingen heen en weer, hij had haar vernederd en niet voor de eerste keer! Steeds opnieuw moest ze de blikken van de andere vrouwen in het dorp verdragen. Hoe ze haar smalend aankeken, erger nog vond ze als ze haar met medelijden aankeken om dan snel hun hoofd weg te draaien als ze hun blik opving.
Maar vandaag was het nog erger geweest, hoe die hoer van een Luigina haar lachje had geveinsd terwijl ze over het hoofd van dat lelijk kind van haar had gestreeld. Ze had haar hierbij recht in de ogen gekeken. Schaamteloos. Zo goed als ze kon had ze haar hoofd recht gehouden en hooghartig teruggekeken totdat de andere vrouw haar blik neersloeg. Toch was deze overwinning niet genoeg!
Haar bloed borrelde, spetterde in haar hoofd als lava, klaar om eruit te stromen.
Hij had gegeten, was opgestaan en riep dat hij nog even een wandeling ging maken. Ze had niet eens geantwoord, ze wist waar hij naartoe ging.
Toen hij die nacht langs haar in bed kroop, stilletjes om haar niet wakker te maken was ze klaar.
Ze lag met haar rug naar hem toe, de sikkel langs haar. Ze wachtte tot hij sliep, ging langs zijn kant van het bed staan, boog zich voorover, nam zijn linkeroor vast en in één snelle beweging sneed ze zijn oor af. Het bloed in haar hoofd zakte.
Hij schreeuwde, sprong op en drukte zijn hand tegen zijn linkeroor. Verbijsterd keek hij haar aan, deze kleine vrouw, haar nachthemd rood van de bloedspetters, haar haren los en de sikkel in haar rechterhand. Ze leek wel een heks!
“Wat heb je gedaan?!” Schreeuwde hij.
“Wat ik allang had moeten doen!” Siste ze.
Hij kon haar alleen maar stom aankijken.
Traag draaide zij zich om en stak haar voeten in haar laarzen, sloeg een omslagdoek rond haar schouders en stapte de deur uit. De nacht in.
Ze wist wat ze zou doen, daar had ze over nagedacht. De carabinieri schrokken zich dood toen ze haar zagen, dachten in eerste instantie dat ze gewond was en deinsden geschrokken terug toen ze hen rustig vertelden wat ze had gedaan.
Éen agent haastte zich naar haar man om hem naar de dokter te brengen, de ander probeerde op haar in te praten.
“Pietta, je weet hoe mannen zijn...”maar voor hij kon uitpraten keek ze hem woedend aan en was hij blij dat ze de sikkel al had afgegeven.
“Hij heeft mij vernederd met die hoer!” spuwde ze hem toe. Beschaamd hield hij zijn mond, te verbijsterd om zo groffe praat te horen uit de mond van een vrouw die anders zo zachtaardig was.
Tegelijkertijd begreep hij niet dat ze zo boos kon worden om iets wat alle mannen weleens deden.
Hij schudde zijn hoofd en keek haar aan:”Pietta, ik moet je opsluiten.” Hij wist niet goed wat hij moest doen, probeerde haar blik te ontwijken. Een respectabele vrouw in de gevangenis. De wereld was gek geworden.
Zwijgend liet ze zich naar de cel brengen en stijfjes ging ze op de brits zitten
De agent schraapte zijn keel:” Wil je wat water?”
Ze antwoorde niet maar hij bracht haar een glas en een karaf water.
Zoals gewoonlijk keek hij haar niet aan, hij las de krant terwijl zij de tafel dekte en zijn bord vol pasta schepte.
Hij zag dat ze wat ruwer was vandaag, hoe ze met afgemeten gebaren zijn glas volschonk met wijn.
Altijd iets met die vrouw, dacht hij en hij wuifde haar weg toen ze het brood langs zijn bord legde.
Haar gedachten gingen heen en weer, hij had haar vernederd en niet voor de eerste keer! Steeds opnieuw moest ze de blikken van de andere vrouwen in het dorp verdragen. Hoe ze haar smalend aankeken, erger nog vond ze als ze haar met medelijden aankeken om dan snel hun hoofd weg te draaien als ze hun blik opving.
Maar vandaag was het nog erger geweest, hoe die hoer van een Luigina haar lachje had geveinsd terwijl ze over het hoofd van dat lelijk kind van haar had gestreeld. Ze had haar hierbij recht in de ogen gekeken. Schaamteloos. Zo goed als ze kon had ze haar hoofd recht gehouden en hooghartig teruggekeken totdat de andere vrouw haar blik neersloeg. Toch was deze overwinning niet genoeg!
Haar bloed borrelde, spetterde in haar hoofd als lava, klaar om eruit te stromen.
Hij had gegeten, was opgestaan en riep dat hij nog even een wandeling ging maken. Ze had niet eens geantwoord, ze wist waar hij naartoe ging.
Toen hij die nacht langs haar in bed kroop, stilletjes om haar niet wakker te maken was ze klaar.
Ze lag met haar rug naar hem toe, de sikkel langs haar. Ze wachtte tot hij sliep, ging langs zijn kant van het bed staan, boog zich voorover, nam zijn linkeroor vast en in één snelle beweging sneed ze zijn oor af. Het bloed in haar hoofd zakte.
Hij schreeuwde, sprong op en drukte zijn hand tegen zijn linkeroor. Verbijsterd keek hij haar aan, deze kleine vrouw, haar nachthemd rood van de bloedspetters, haar haren los en de sikkel in haar rechterhand. Ze leek wel een heks!
“Wat heb je gedaan?!” Schreeuwde hij.
“Wat ik allang had moeten doen!” Siste ze.
Hij kon haar alleen maar stom aankijken.
Traag draaide zij zich om en stak haar voeten in haar laarzen, sloeg een omslagdoek rond haar schouders en stapte de deur uit. De nacht in.
Ze wist wat ze zou doen, daar had ze over nagedacht. De carabinieri schrokken zich dood toen ze haar zagen, dachten in eerste instantie dat ze gewond was en deinsden geschrokken terug toen ze hen rustig vertelden wat ze had gedaan.
Éen agent haastte zich naar haar man om hem naar de dokter te brengen, de ander probeerde op haar in te praten.
“Pietta, je weet hoe mannen zijn...”maar voor hij kon uitpraten keek ze hem woedend aan en was hij blij dat ze de sikkel al had afgegeven.
“Hij heeft mij vernederd met die hoer!” spuwde ze hem toe. Beschaamd hield hij zijn mond, te verbijsterd om zo groffe praat te horen uit de mond van een vrouw die anders zo zachtaardig was.
Tegelijkertijd begreep hij niet dat ze zo boos kon worden om iets wat alle mannen weleens deden.
Hij schudde zijn hoofd en keek haar aan:”Pietta, ik moet je opsluiten.” Hij wist niet goed wat hij moest doen, probeerde haar blik te ontwijken. Een respectabele vrouw in de gevangenis. De wereld was gek geworden.
Zwijgend liet ze zich naar de cel brengen en stijfjes ging ze op de brits zitten
De agent schraapte zijn keel:” Wil je wat water?”
Ze antwoorde niet maar hij bracht haar een glas en een karaf water.
Drie dagen later kwam haar man haar
halen. Hooghartig stapte ze uit de cel. Niemand had een woord uit
haar gekregen.
Ze ging weer naar huis waar hij zijn ruwe manieren weer oppakte maar het was anders, hij was op zijn hoede. Hij wist nu tot wat ze in staat was.
Ze ging weer naar huis waar hij zijn ruwe manieren weer oppakte maar het was anders, hij was op zijn hoede. Hij wist nu tot wat ze in staat was.
zondag 4 juni 2017
Er komt altijd iets in de plaats!
Weer een vrijdagavond, ik zet "The odd life of Timothy Green" op,het is een klein pareltje van een film, geen geweld, vieze woorden of sex. Gewoon een leuke film die ik samen met de kindjes (is ene van 9 nog een kindje?) kan kijken.
Tot mijn verbazing blijven ze meekijken en de vragen vliegen in het rond:
"Waarom heeft hij blaadjes op zijn benen?"
"Gaat dat meisje hem pesten?"
"Zie je, daar, ze pesten hem! Ik zou ze allemaal slaan!"
Er wordt intens meegeleefd met Timothy.
En dan komt het moment dat Timothy na veel avonturen afscheid neemt...
"Ohnee, gaat hij dood?!" Vincent houdt zich niet in en huilt tranen met tuiten met het kussen tegen zich aangedrukt.
Isabelle ligt voor mij zachtjes te snikken en ik probeer maar uit te leggen dat het een natuurjongen is dat hij terug naar de natuur moet. Maar het afscheid valt zwaar en ze zijn zo aangedaan dat ik zelf begin te huilen. Heb ik al gezegd hoe mooi deze film is?
Met ons drie zitten we tegen elkaar aan te huilen, Timmy wordt erbij geroepen en we geven elkaar een grote knuffel.(We lijken een Disney familie
🙄)
"Nooit, nooit laat ik jullie achter, mama" zegt Vincent en ik weet dat het niet waar is dat het ok is als hij het wel doet maar vanavond laat ik hem erin geloven.
Ik neem Isabelle op en breng haar naar de badkamer, we poetsen onze tanden.
"Dat was een verdrietige film,he mama."
"Ja, schat,"
"Komt die jongen nog terug als het Lente is?"
"Nee, lieveke hij moest terug naar de natuur."
Ze dubt hier een beetje over. "Weggaan is niet fijn,he mama"
"Maar er komt altijd iets voor in de plaats, lieveke." Daar is ze nog niet zeker van maar ze zal het wel leren.
Tot mijn verbazing blijven ze meekijken en de vragen vliegen in het rond:
"Waarom heeft hij blaadjes op zijn benen?"
"Gaat dat meisje hem pesten?"
"Zie je, daar, ze pesten hem! Ik zou ze allemaal slaan!"
Er wordt intens meegeleefd met Timothy.
En dan komt het moment dat Timothy na veel avonturen afscheid neemt...
"Ohnee, gaat hij dood?!" Vincent houdt zich niet in en huilt tranen met tuiten met het kussen tegen zich aangedrukt.
Isabelle ligt voor mij zachtjes te snikken en ik probeer maar uit te leggen dat het een natuurjongen is dat hij terug naar de natuur moet. Maar het afscheid valt zwaar en ze zijn zo aangedaan dat ik zelf begin te huilen. Heb ik al gezegd hoe mooi deze film is?
Met ons drie zitten we tegen elkaar aan te huilen, Timmy wordt erbij geroepen en we geven elkaar een grote knuffel.(We lijken een Disney familie
"Nooit, nooit laat ik jullie achter, mama" zegt Vincent en ik weet dat het niet waar is dat het ok is als hij het wel doet maar vanavond laat ik hem erin geloven.
Ik neem Isabelle op en breng haar naar de badkamer, we poetsen onze tanden.
"Dat was een verdrietige film,he mama."
"Ja, schat,"
"Komt die jongen nog terug als het Lente is?"
"Nee, lieveke hij moest terug naar de natuur."
Ze dubt hier een beetje over. "Weggaan is niet fijn,he mama"
"Maar er komt altijd iets voor in de plaats, lieveke." Daar is ze nog niet zeker van maar ze zal het wel leren.
dinsdag 22 november 2016
Love Everything Still
Tweeëntwintig november is het vandaag en ik droom een beetje weg naar die eerste keer dat ik je mocht vasthouden, ik was vijf en je vader legde jou in mijn armen.
Ik weet niet meer goed hoe je eruit zag maar ik herinner mij wel het gevoel, hoe trots ik was dat ik jou wél mocht vasthouden en een tante van ons niet. Hoe zij grommelde en ik glunderde omdat je zo ook een beetje meer van mij was.
En ik droom van de keren dat we samen in de auto zaten en ik jouw grote nicht speelde maar jij mij zo vaak iets leerde door open naar de wereld te kijken en hoe je je hoofd boog om goed te kunnen luisteren naar wat ik zei. En ik vraag mij af of je door had dat ik niet alles wist en mij soms zo kwetsbaar voelde. Vast wel, ik zag het soms in je ogen.
Ik mis die gesprekken met jou en ik ben bang dat ik daar niet altijd genoeg tijd voor genomen heb, dat het leven zo snel ging en op een dag was je weg.
De rauwe pijn is weggesleten maar het missen gaat steeds dieper, ik mis je, ik mis je, ik mis je...
Ik zou je willen vertellen wat ik de afgelopen jaren geleerd heb en welke weg ik ingeslagen ben, dat ik een stukje jouw pad volg met de mensen die jij kende en hoe fijn dat voelt.
En ik voel mij boos worden omdat de foto's die ik zie steeds dezelfde zijn, dat er geen nieuwe meer zullen bijkomen en dat dat gewoon niet genoeg is! Ik heb zin om met borden te smijten en heel hard te roepen dat het niet eerlijk is, dat het niet had mogen gebeuren, dat jij zoveel mist en dat wij jou missen! Ik wil eisen dat je terugkomt en ben tot onderhandelen bereid, mijn hoofd gloeit en mijn keel knijpt dicht van woede. Ik roep niet, gooi niks en slik het allemaal weg want op wie moet ik boos zijn? Naar wie moet ik iets gooien? Wie moet ik van oneerlijkheid beschuldigen?
En als mijn boosheid zakt en ik weer een beetje vrijer kan ademen dan voel ik dat het voorbij is, dat ik je hier niet meer zal zien.
En dan droom ik, ik droom dat ik je zie en hoe blij ik ben en hoe groot het verlangen is. Je wandelt in een veld met hoog gras en de zon schijnt, je draait je om en lacht naar mij, zegt iets maar ik hoor je niet. Ik zie je door mijn tranen heen, zo duidelijk, nog steeds jezelf...
En zo simpel maak je het voor mij, daar ben je dan en ik laat je niet los, geef niet op met geloven dat ik je ooit weer zal ontmoeten en hoe trots ik zal zijn om je weer te omhelzen.
Gelukkige verjaardag, hippie neefje.
Manuela
Ik weet niet meer goed hoe je eruit zag maar ik herinner mij wel het gevoel, hoe trots ik was dat ik jou wél mocht vasthouden en een tante van ons niet. Hoe zij grommelde en ik glunderde omdat je zo ook een beetje meer van mij was.
En ik droom van de keren dat we samen in de auto zaten en ik jouw grote nicht speelde maar jij mij zo vaak iets leerde door open naar de wereld te kijken en hoe je je hoofd boog om goed te kunnen luisteren naar wat ik zei. En ik vraag mij af of je door had dat ik niet alles wist en mij soms zo kwetsbaar voelde. Vast wel, ik zag het soms in je ogen.
Ik mis die gesprekken met jou en ik ben bang dat ik daar niet altijd genoeg tijd voor genomen heb, dat het leven zo snel ging en op een dag was je weg.
De rauwe pijn is weggesleten maar het missen gaat steeds dieper, ik mis je, ik mis je, ik mis je...
Ik zou je willen vertellen wat ik de afgelopen jaren geleerd heb en welke weg ik ingeslagen ben, dat ik een stukje jouw pad volg met de mensen die jij kende en hoe fijn dat voelt.
En ik voel mij boos worden omdat de foto's die ik zie steeds dezelfde zijn, dat er geen nieuwe meer zullen bijkomen en dat dat gewoon niet genoeg is! Ik heb zin om met borden te smijten en heel hard te roepen dat het niet eerlijk is, dat het niet had mogen gebeuren, dat jij zoveel mist en dat wij jou missen! Ik wil eisen dat je terugkomt en ben tot onderhandelen bereid, mijn hoofd gloeit en mijn keel knijpt dicht van woede. Ik roep niet, gooi niks en slik het allemaal weg want op wie moet ik boos zijn? Naar wie moet ik iets gooien? Wie moet ik van oneerlijkheid beschuldigen?
En als mijn boosheid zakt en ik weer een beetje vrijer kan ademen dan voel ik dat het voorbij is, dat ik je hier niet meer zal zien.
En dan droom ik, ik droom dat ik je zie en hoe blij ik ben en hoe groot het verlangen is. Je wandelt in een veld met hoog gras en de zon schijnt, je draait je om en lacht naar mij, zegt iets maar ik hoor je niet. Ik zie je door mijn tranen heen, zo duidelijk, nog steeds jezelf...
En zo simpel maak je het voor mij, daar ben je dan en ik laat je niet los, geef niet op met geloven dat ik je ooit weer zal ontmoeten en hoe trots ik zal zijn om je weer te omhelzen.
Gelukkige verjaardag, hippie neefje.
Manuela
vrijdag 11 november 2016
Tandenborstel
(Ook deze tekst werd in 2006 geschreven als opdracht bij de lessen Creatief Schrijven bij Daan Pleumeekers)
Hij staat onder de douche, het water is warm. De
tegels zijn koud. Hij omarmt zichzelf en staart naar de herinnering die zich
achter het gordijn heeft afgespeeld. Was het een week geleden of twee? Hij weet
het niet meer zo goed. Herinnert zich alleen dat hij onder de douche stond
zoals nu, zij had op de houten wasmand gezeten en hem verteld dat ze zou
vertrekken. Dat ze het niet meer zag zitten tussen hen. Dat het geen zin meer
had. De tegels waren toen even koud als nu.
De druppels spatten uit elkaar op zijn armen. Hij rilt
onder het warm water.
“Ze heeft
gelijk.” Denkt hij. “Het spijt me, het spijt me, het spijt me.” Mompelt hij
tegen het douchegordijn. Gek genoeg weet hij niet echt wat hem zo spijt. Zijn
woorden vermengen zich met het water en spoelen weg. Hoe vaak heeft hij zich
verontschuldigt? Elke keer opnieuw totdat ze niets meer hielpen, niks meer
raakten. Haar zeker niet. Niet meer. “Ik heb het geprobeerd.” Denkt hij. Dat
weet ze, het is haar ook niet gelukt.
Het water koelt af, de tegels worden nog kouder. Hij
wil niet achter het douchegordijn uitkomen. Niet in een appartement waar zij
niet is.
“Ik hou van je.” Had hij gezegd. Hij had geweten dat
hij deze woorden eerder had moeten zeggen.
“Ik weet het.” Had ze geknikt. “Het is niet genoeg.”
Toen had hij maar niks meer gezegd.
“Ik hou ook van jou. Maar het lukt niet. Ik…jij,
ik…wij…ik…we zijn te verschillend.” Ze had een hulpeloos gebaar gemaakt en haar
hoofd geschud. Gooide haar rugzak over haar rechterschouder.
Ze had gehuild, haar ogen waren rood en opgezet. Hij
had haar willen troosten maar de vastberaden blik in haar ogen hield hem tegen.
Niks was nog vanzelfsprekend.
“Ik zal je koffer dragen.”
“Hoeft niet, dank je.”
“Alsjeblieft.”
“Echt niet, ik kan het niet verdragen om je onder aan
de trap te zien staan als ik weg rij.” Ze had een afwerend gebaar gemaakt met
haar linkerhand. Haar koffer opgepakt, hem gekust en was vertrokken. Zomaar.
Ineens.
Nu wenst hij dat hij haar koffer toch naar onder had
gedragen. Dan had hij nu dat laatste beeld gehad van haar in de auto. Met haar
hoofd tegen het raam ondersteunt door haar linkerhand en haar rechterhand op
het stuur. Dat deed ze altijd als ze triest was.
Iets hard zit vast in zijn keel, hij probeert te
slikken maar het lukt niet. Hij hoest een paar keer. Toch maar uit de douche.
Hij droogt zich af, tussen zijn tenen, achter zijn oren en wrijft zijn huid
totdat die gloeit. Hij slikt en hoest nog eens.
Als hij voor de lavabo staat vindt hij haar
tandenborstel. Een blauwe. Hij neemt altijd de groene. Zonder twijfelen drukt
hij wat tandpasta over de haartjes die alle richtingen uitstaan en poetst zijn
tanden met haar tandenborstel.
Hij schrobt elke tand, hard. Daarna vult hij zijn mond
met water, spuwt het uit en kijkt hoe het schuim en zijn speeksel door het
afvoerputje loopt.
De telefoon rinkelt. Zou het? Snel slaat hij een
handdoek om en loopt naar de telefoon. Het verlangen knijpt zijn maag dicht.
Hij neemt de hoorn van de haak, zijn handen zweten.
“Hallo?”
“Met mij.”
Stilte, hij slikt nog eens, hard.
“Hallo? Ben je er nog?”
“Ja.” Een schor geluid komt uit zijn keel.
“En…hoe is het met je?” Haar stem klinkt verstikt.
“Goed.”
“Ben je kwaad op mij?”
Hij zwijgt, denkt aan haar tandenborstel in de
badkamer. Vormt de zin in zijn hoofd.
“Ik kan niet geloven dat je kwaad bent op mij, je weet
goed wat het mij gekost heeft om bij je weg te gaan. Je hebt nooit een woord
gezegd.” Ze huilt nu.
“Ik ben helemaal niet kwaad op je!” Waarom zou hij
zeggen dat haar tandenborstel in de badkamer ligt, ze heeft waarschijnlijk al
een ander.
“Waarom zeg je niks?”
“Wat wil je dat ik zeg?” Hij voelt haar frustratie
door de telefoon heen. Het spijt me, elke keer opnieuw. Het raakt niks meer.
Zij luistert niet, hoort alleen haar ervaring spreken.
“Hier word ik zo moe van.”
“Wat bedoel je, ik ben niet kwaad!”
“Ik voel het toch! Zeg toch gewoon wat je denkt, ga je
weer de martelaar uithangen?”
“Ik ben niet kwaad. Jij hebt hiervoor gekozen, ik
niet.”
“Zie je wel dat je kwaad bent.” Ze slikt, hard.
Hij vraagt zich af of ze ook iets hard in haar keel
voelt.
“Wat wil je dan?”
“Ik wil dat je eerlijk bent. Dat je eens één keer zegt
wat je voelt. Dat wil ik.”
“Ik ben niet kwaad.”
Hij hoort hoe zij naar adem hapt en hij weet dat ze
haar armen stijf tegen zich aandrukt. Haar ogen gesloten. Dan klinkt haar stem
oud en moe.
“Ik ben mijn tandenborstel vergeten, denk ik.”
“Heb niks gezien.” Waarom heeft ze nog geen nieuwe
gekocht? Zijn bloed begint sneller te stromen. “Er zijn er nog genoeg in de
winkel, waarom wil je dat oud ding?” Hij hoopt dat het een beetje grappig
klinkt. Zo bedoelt hij dat.
Een afwerend geluid. “Ach, ik heb al een nieuwe
gekocht.”
“Waarom bel je dan?” Zijn hart klopt in zijn keel.
“Maakt het wat uit? Ik moet gaan.”
“Ik mis je.” Het blijft stil aan de andere kant van de
lijn heeft ze hem wel gehoord. Heeft hij het wel gezegd? Hij hoort hoe ze
uitademt.
“Ik ook.”
Nu, nu moet hij iets zeggen. Iets betekenisvol, iets
belangrijks. Hij weet niet wat. Zijn handen drukken de hoorn harder tegen zijn
oor.
“Je tandenborstel ligt in de badkamer.” Het ding in
zijn keel wordt harder.
“Hou maar. Ik moet gaan werken. Dag.”
“Dag.”
Geen tot ziens of ik zie je nog. Hij weigert om neer
te leggen, wil haar nog even dichtbij houden. Zoekt koortsig naar woorden,
belangrijke woorden. Iets betekenisvol. Dan een klik. Ze heeft neergelegd.
Manuela Del Rio
Maart 2006
God is groot
(Dit verhaal heb ik in 2006 geschreven toen ik nog voor het OCMW in Bilzen met vluchtelingen werkte en les volgde bij Daan Pleumeekers in de academie van Hasselt)
Ze had het gezegd. Vlot, zonder aarzelen had ze hen
het slechte nieuws verteld.
De jongens zaten verslagen aan haar bureau. Twee
broers uit Iran, hun moeder en jongste broer waren er niet bij vandaag . Ze zag
de jongste van de twee verschillende keren slikken, hij veegde zijn hand langs
zijn wang maar ze had de traan gezien.
Ze keek rond. Haar bureau was rommelig. Haar dossiers
lagen in twee hoopjes voor haar. Met één hand schoof ze die aan de kant. Het
dossier van de jongens lag op haar schoot, ze haalde het document dat ze
gisteren had gekregen eruit.
“Wat moeten we nu doen?” vroeg de oudste. Hij was even
oud als zij, gelukkig niet meer zo verlegen als twee jaar geleden.
“Ik weet het niet, er is niks meer dat ik voor jullie
kan doen.” Ze wreef met haar handen over haar gezicht. Ze was moe, ze was het
allemaal moe vandaag. Ze had nog hard gevochten om wat geld los te krijgen maar
het Comité had niet willen luisteren.
Er viel een stilte, ze keek de jongens aan. De oudste
was in het begin verlegen geweest. Daarna had hij haar altijd met respect
behandeld. Allemaal eigenlijk. Zij had alles gedaan wat in haar macht lag om
hen te helpen.
De jongste zat stil voor zich uit te staren, ze wist
niet zeker of hij luisterde naar wat ze zei. Hij had een moedervlek net onder
zijn linkeroog. Ze had altijd gevonden dat de vlek op Frankrijk leek. Hij was
de vlotste van de drie broers, een aantrekkelijke jongen. Hij was zeventien
toen ze hem voor het eerst ontmoette. Zijn moeder was toen bij hem.
“Ik ga niet meer naar school,” had hij vol
zelfvertrouwen verklaard.
“Oh ja? Ben je afgestudeerd misschien? Je bent te slim
zeker,” had ze gezegd.
Zij moeder moest lachen.
Enzo had ze de
strijd gewonnen. Weken later had ze hem brutaal gevraagd of hij een lief had. Hij
antwoordde dat hij er drie had. Verontwaardigd had ze geroepen dat hij eerlijk
moest zijn maar hij moest alleen maar lachen. Het gezin kwam regelmatig langs
om raad te vragen. En ze zag hoe ze zich steeds meer integreerden. Ze juichte
want ze was vrij zeker van de procedure. Dit gezin zou blijven, ze verdienden
het.
Hier zat ze nu met de uitspraak. “Onontvankelijk
verklaard.” Haar Iraans gezin. De jongens keken haar nog steeds aan, zochten
een antwoord in haar ogen. Ze schaamde zich omdat ze koel kon zeggen dat ze
niks meer kon doen. De jongste bleef over zijn wang wrijven en slikken.
Niets viel er nog te zeggen maar ze kon hen niet
wegsturen, haar keel kneep dicht. Wat zouden ze nu doen? Er zou geen geld zijn
om de huur te betalen, schoolboeken, voedsel…Ze haatte de wereld.
“Mijn moeder is ziek, dat weet je.” Het was weer de
oudste die sprak.
“Alle medische kosten mag je binnenbrengen, die
betalen wij.” Ze had zoveel meer willen zeggen.
“Mogen we nog wel eens langskomen?” vroeg de jongste
plotseling.
Haar keel deed pijn.
“Altijd.” Eén woord, meer kon ze niet zeggen.
“Het komt wel goed, er komt wel een oplossing. God is
groot.” Zei de jongste en de traan viel langs zijn wang.
Manuela Del Rio
2006
Abonneren op:
Posts (Atom)